Nummer 24/44979/GB
Betreft [klager]
Datum 25 september 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
De (toenmalig) Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 20 september 2024 beslist klager te plaatsen in het huis van bewaring (HVB) van het Justitieel Centrum (JC) Zeist, waarbij feitelijk is beslist om klager in het arrestantenregime te plaatsen.
Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft op 27 november 2024 het bezwaar gegrond verklaard, maar daarbij aan klager geen tegemoetkoming toegekend.
Klagers raadsvrouw, mr. A. Knol, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing, voor zover aan klager geen tegemoetkoming is toegekend.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.
2. De beoordeling
Klager is op 3 oktober 2024 geplaatst in het HVB van het JC Zeist. Daardoor heeft hij in beginsel geen belang meer bij het beroep en zou hij niet‑ontvankelijk moeten worden verklaard. In beroep is echter (tijdig) verzocht om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. Daarom zal de beroepscommissie het beroep alsnog inhoudelijk beoordelen.
Op grond van artikel 72 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft een gedetineerde het recht tegen een beslissing van verweerder op het bezwaar- of verzoekschrift, voor zover dit betreft een gehele of gedeeltelijke ongegrondverklaring, onderscheidenlijk afwijzing als bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de Pbw, een met redenen omkleed beroepschrift in te dienen bij de beroepscommissie van de RSJ. Hoewel verweerder klagers bezwaar gegrond heeft verklaard, geldt dat klager in de bezwaarprocedure ook al had verzocht om een tegemoetkoming. Nu verweerder dat verzoek om een tegemoetkoming heeft afgewezen, vat de beroepscommissie de beslissing op bezwaar in dit geval op als een gedeeltelijke ongegrondverklaring van het bezwaarschrift, zodat daartegen beroep openstaat.
Ten aanzien van klagers verzoek om een tegemoetkoming, overweegt de beroepscommissie als volgt. Niet in geschil is dat klager geen arrestant is zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden en dat hij in een HVB moest worden ondergebracht.
Artikel 15, eerste lid, van de Pbw luidt, voor zover relevant, als volgt: “De personen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen is gelast worden geplaatst in een inrichting of afdeling dan wel overgeplaatst naar een inrichting of afdeling overeenkomstig de bestemming daarvan ingevolge hoofdstuk III. Van het bepaalde omtrent de bestemming kan worden afgeweken op gronden gelegen in de persoon van de betrokkene.”
Hoewel de beslissing om iemand in het arrestantenregime te plaatsen in beginsel is voorbehouden aan de directeur van een inrichting, is de beslissing om klager in het arrestantenregime te plaatsen in dit geval feitelijk door verweerder genomen. Uit de stukken blijkt namelijk dat de afdeling plaatsing van de Divisie Individuele Zaken op de dag van klagers plaatsing – 20 september 2024 – directeuren van diverse inrichtingen op de hoogte heeft gesteld van het feit dat er preventief gehechten op de arrestantenafdeling moesten worden geplaatst vanwege een tekort aan cellen in het HVB. De reden van klagers plaatsing in het arrestantenregime is dus niet gelegen in de persoon van klager en daarmee is de beslissing in strijd met artikel 15 van de Pbw genomen. De voorzitter van de beroepscommissie heeft de initiële beslissing daarom geschorst (RSJ 1 oktober 2024, 24/43477/SGB) en klager is vervolgens in een HVB geplaatst.
Verweerder stelt dat aan klager geen tegemoetkoming moet worden toegekend, omdat hij voor de duur van veertien dagen ten onrechte in het arrestantenregime heeft verbleven en een periode van vijftien tot dertig dagen op basis van de standaardbedragen tegemoetkoming van de RSJ bij de berekening als een maand telt. De beroepscommissie is evenwel van oordeel dat in dit geval aan klager een tegemoetkoming moet worden toegekend. Klager is bewust in het arrestantenregime geplaatst, terwijl hij daar niet hoorde. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de bestreden beslissing (gedeeltelijk) vernietigen ten aanzien van het niet toekennen van een tegemoetkoming aan klager. Nu klager van 20 september 2024 tot en met 3 oktober 2024 ten onrechte in het arrestantenregime van het JC Zeist heeft verbleven, zal de beroepscommissie hem een tegemoetkoming toekennen van €75,-.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing ten aanzien van het niet toekennen van een tegemoetkoming aan klager. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €75,-.
Deze uitspraak is op 25 september 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. C. Fetter, voorzitter, mr. F.H.J. van Gaal en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, leden, bijgestaan door mr. L.M.E. van Horssen, secretaris.
secretaris voorzitter