Nummer 25/46270/TA
Betreft [klager]
Datum 22 september 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag, voor zover in beroep aan de orde, ingesteld tegen:
- de oplegging van een postmaatregel, ingaande op 3 september 2024 (PN 2024/208);
- de oplegging van een postmaatregel, ingaande op 20 september 2024 (PN 2024/221).
De beklagcommissie bij FPC Pompestichting te Nijmegen (hierna: de instelling) heeft op
30 januari 2025 beklag a. gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €12,50 en beklag b. ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. I.A.C. van Mulbregt, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de jurist bij de instelling gehoord op de digitale zitting van 9 juli 2025. Mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Beklag a.
Het beroep richt zich tegen de hoogte van de tegemoetkoming. Klager volgt de beklagcommissie niet in het oordeel aan hem een bedrag van €12,50 toe te kennen, omdat zijn telefoon eenmalig zou zijn gecontroleerd. De postmaatregel is immers opgelegd op
3 september 2024 en heeft tot 1 oktober 2024 geduurd. De instelling heeft in het verweer gesteld dat het afdelingsarrest dat ook aan klager is opgelegd van 3 september 2024 tot 10 september 2024 heeft geduurd. Onduidelijk is hoe lang de postmaatregel heeft geduurd. In ieder geval heeft er gedurende een langere periode de mogelijkheid voor de instelling bestaan om telkens terug te kijken naar berichten op de telefoon van klager. Klager verzoekt daarom om bij het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming aan te sluiten bij RSJ 13 november 2017, 17/1607/TA.
Beklag b.
Een postmaatregel kan niet worden ingezet om berichten in te zien van voor de datum waarop de maatregel is opgelegd, nu de wet hiervoor geen juridische basis biedt en het inzien van de berichten een schending oplevert van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Op 20 september 2024 is aan klager opnieuw een postmaatregel opgelegd om de berichten van vóór 20 september 2024 te lezen. De eerdere postmaatregel was toen kennelijk geëindigd. Net als in beklag a. is sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM. Dat eerder een postmaatregel gold voor de periode vanaf 3 september 2024 maakt dit niet anders. Immers was er toen de eerdere postmaatregel nog liep alle gelegenheid om de berichten in te zien en bovendien verandert dit niets aan het feit dat een postmaatregel niet bedoeld is voor het terugkijken in oude berichten. Bovendien was al eerder naar de berichten gekeken en is ook niet gemotiveerd waarom dit opnieuw noodzakelijk was, behalve dat wordt gezegd dat men voor de zekerheid nogmaals wilde kijken. Nu hier geen directe aanleiding voor was, was oplegging van de postmaatregel op dat moment ook niet proportioneel. Klager verzoekt dan ook het beroep gegrond te verklaren en om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen, waarbij voor het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming opnieuw wordt verzocht aansluiting te zoeken bij RSJ 13 november 2017, 17/1607/TA.
Standpunt van het hoofd van de instelling
Namens het hoofd van de instelling is verwezen naar wat tijdens de beklagprocedure naar voren is gebracht.
3. De beoordeling
Beklag a.
De beroepscommissie stelt voorop dat een tegemoetkoming is bedoeld voor het door klager ondervonden ongemak. Uit de stukken komt naar voren dat door het afdelingspersoneel berichten op klagers telefoon zijn bekeken van vóór de datum van de oplegging van de postmaatregel op 3 september 2024. Klager heeft onweersproken gesteld dat het afdelingspersoneel niet slechts op één dag, zoals de beklagcommissie heeft vastgesteld, maar gedurende een langere periode berichten heeft kunnen bekijken. Gelet hierop kan de beroepscommissie zich niet vinden in de toegekende tegemoetkoming. Zij zal het beroep daarom gegrond verklaren en in dezen aan klager een hogere tegemoetkoming toekennen, namelijk van €30,-.
Beklag b.
Aan klager is op 3 september 2025 een postmaatregel opgelegd om het ‘berichtcontact’ op zijn telefoon te kunnen inzien. Uit de schriftelijke mededeling van deze postmaatregel volgt dat de uiterlijke einddatum van deze maatregel 1 oktober 2024 is. De beklagcommissie heeft geconcludeerd dat deze maatregel op 10 september 2024, net als het aan klager opgelegde afdelingsarrest, is beëindigd. Op 20 september 2024 is aan klager opnieuw een postmaatregel opgelegd. Uit de schriftelijke mededeling van deze maatregel volgt dat deze maatregel is opgelegd om opnieuw de berichten, die eerder konden worden ingezien ten tijde van de aan klager op 3 september 2024 opgelegde postmaatregel, te kunnen doornemen.
Uit vaste jurisprudentie van de beroepscommissie (RSJ 13 november 2017, 17/1607/TA, en RSJ 28 februari 2019, R-18/1787/TA) volgt dat artikel 35, derde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden niet de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM bedoelde wettelijke grondslag biedt voor het inzien van berichten die vóór oplegging van een postmaatregel zijn verzonden of ontvangen. De beroepscommissie is daarom van oordeel dat het hoofd van de instelling de beslissing van 20 september 2024 om aan klager een postmaatregel op te leggen om opnieuw het eerdere berichtcontact te kunnen inzien, ten onrechte heeft genomen.
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag b. alsnog gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen, nu de op 20 september 2024 opgelegde postmaatregel gericht was op het kunnen inzien van berichten die eerder al (hadden kunnen) zijn ingezien op grond van een eerdere aan klager opgelegde postmaatregel.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart:
- het beroep inzake beklag a. gegrond en vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €30,-;
- het beroep inzake beklag b. gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde en verklaart beklag b. alsnog gegrond. Zij kent klager inzake dit beklag geen tegemoetkoming toe.
Deze uitspraak is op 22 september 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. D. van der Sluis, voorzitter, mr. L.C.P. Goossens en drs. D. van der Meer, leden, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.
secretaris voorzitter