Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/45506/GA, 10 december 2025, beroep
Uitspraakdatum:10-12-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          24/45506/GA

Betreft             [klager]

Datum             10 december 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de weigering van zijn partner als bezoekster voor de duur van drie maanden met ingang van 28 november 2024.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard heeft op 10 december 2024 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag (G-2024-1011). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. N. Godding, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Sittard (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

 

Het beklag is gericht tegen (de toepassing van) een algemene regel

In de huisregels van de PI Sittard zijn nadere regels gesteld omtrent de toelating en weigering van bezoek. Daarin staat: “wanneer u de laatste drie maanden uit detentie bent ontslagen wordt u niet tot de inrichting toegelaten”.

Klagers bezoekster (zijn partner) is op 13 november 2024 ontslagen uit detentie. De directeur heeft beslist om haar voor drie maanden de toegang tot de inrichting te weigeren met ingang van 28 november 2024. Deze beslissing vloeit rechtstreeks voort uit de eerdergenoemde huisregel. Tegen (de concrete toepassing van) een algemene regel staat geen beklag open, tenzij die regel in strijd is met hogere wet- of regelgeving. Daarover overweegt de beroepscommissie als volgt.

 

Strijd met hogere wet- of regelgeving?

Uit artikel 38, derde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) volgt dat de directeur de toelating van een bepaald persoon of van bepaalde personen tot de gedetineerde kan weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Pbw, namelijk:

  1. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
  2. de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;
  3. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten;
  4. de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven.

Uit die bepaling vloeit voort dat de directeur ten aanzien van de vraag of een bepaalde bezoeker de toegang kan worden geweigerd een individuele belangenafweging dient te maken. De huisregel van de PI Sittard, waarin is bepaald dat een bezoeker, die de afgelopen drie maanden uit detentie is ontslagen, niet wordt toegelaten tot de inrichting, leidt daarentegen tot een zekere standaardisatie van de beslissing waarin de wet niet heeft voorzien. Tegen deze achtergrond kan ‘bepaald(e)’ (in de zin van ‘een bepaald persoon’ of ‘bepaalde personen’) naar het oordeel van de beroepscommissie niet zo worden opgevat dat daarmee alle ex‑gedetineerden (tot drie maanden na invrijheidstelling) per definitie kunnen worden uitgesloten als bezoeker.

De beroepscommissie acht het overigens voorstelbaar dat de directeur een ex‑gedetineerde toelating tot de inrichting weigert in het licht van (een van) de genoemde belangen in artikel 36, vierde lid, van de Pbw. Dat vereist echter wel een individuele, op de gedetineerde en zijn bezoeker toegespitste belangenafweging.

Naar het oordeel van de beroepscommissie is de huisregel, dat personen die korter dan drie maanden geleden zijn ontslagen uit detentie niet worden toegelaten tot de inrichting, dan ook in strijd met artikel 38, derde lid, van de Pbw. Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagrechter vernietigen, klager alsnog ontvankelijk verklaren in het beklag en dit beklag gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet aanleiding om een tegemoetkoming toe te kennen en zal deze vaststellen op €20,-.

De beroepscommissie merkt ten overvloede nog op dat de duur van de ontzegging – op basis van de genoemde huisregel – te lang is, nu de driemaandentermijn zou zijn gaan lopen vanaf 13 november 2024 (de datum van invrijheidstelling) in plaats van 28 november 2024.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter, verklaart klager alsnog ontvankelijk in zijn beklag en verklaart dit beklag gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €20,-.

Deze uitspraak is op 10 december 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. B. van der Werf, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven