Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/45554/GA, 12 augustus 2025, beroep
Uitspraakdatum:12-08-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          24/45554/GA

Betreft [klager]

Datum 12 augustus 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

de directeur van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen het verzuim van de directeur om een beslissing te nemen op (één van) zijn verlofaanvragen (ZS-ZO-2024-258 en -330).

De beklagcommissie bij het JC Zaanstad heeft op 16 december 2024 het beklag (gedeeltelijk) gegrond verklaard, voor zover dat ziet op de periode van 28 september 2024 tot en met 28 november 2024, en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €50,-. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de directeur, klager en zijn raadsman mr. C.G. Peerik in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Op grond van artikel 60, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan er worden geklaagd over een verzuim of weigering om te beslissen. Het nemen van een beslissing wordt geacht te zijn verzuimd of geweigerd, indien niet binnen de wettelijke of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn een beslissing is genomen.

Uit de stukken maakt de beroepscommissie op dat er alsnog een beslissing is genomen, nadat klager beklag had ingesteld tegen het verzuim om te beslissen en nog vóórdat de beklagcommissie uitspraak heeft gedaan. Het is niet gebleken dat klager het inhoudelijk niet eens is met die beslissing. Daarom dient in dit geval enkel beoordeeld te worden of de directeur binnen een redelijke termijn heeft beslist.

De beklagcommissie heeft geoordeeld dat er in het voortraject voortvarend is gehandeld (door de casemanager), omdat klagers verlofaanvraag van 30 september 2024 al op 7 oktober 2024 is doorgestuurd naar de selectiefunctionaris voor het uitbrengen van een advies aan de directeur (gelet op het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (oud).

Uit de stukken volgt dat er op 28 november 2024 nog geen advies was uitgebracht door de selectiefunctionaris. Als gevolg daarvan had ook de directeur nog geen beslissing genomen op de verlofaanvraag van 30 september 2024.

Anders dan de beklagcommissie, is de beroepscommissie evenwel van oordeel dat dit tijdsverloop niet tot het oordeel kan leiden dat de redelijke termijn tot het nemen van een beslissing is overschreden en dat derhalve sprake is van een verzuim. Zij overweegt daartoe als volgt.

Op basis van de stukken is het de beroepscommissie niet gebleken dat en waarom klager concreet nadeel heeft ondervonden van de enkele omstandigheid dat de directeur pas op 29 november 2024 heeft beslist op zijn verlofaanvraag van 30 september 2024. Hoewel de beklagcommissie in haar oordeel ook de voorgeschiedenis heeft betrokken, is de beroepscommissie van oordeel dat dit deel van de klacht enkel betrekking heeft op de periode vanaf 28 september 2024, zodat de voorgeschiedenis in zoverre minder ter zake doet. De beroepscommissie neemt bovendien ook nog het volgende in aanmerking. Hoewel de directeur ertoe gehouden is om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen, ook wanneer een advies van de selectiefunctionaris (nog) niet (tijdig) binnen is, geldt dat het in de rede ligt dat klagers verzoek in dat geval afgewezen was, gelet op het ontbreken van een advies van de selectiefunctionaris. Verder blijkt uit de stukken dat de directeur telefonisch contact heeft gezocht met de selectiefunctionaris om sneller een advies te krijgen. Op het moment dat het advies binnen was, is nog dezelfde dag door de directeur een beslissing genomen op klagers verlofaanvraag.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen voor zover in beroep aan de orde en het beklag alsnog ongegrond verklaren. De beroepscommissie ziet daarom, anders dan de beklagcommissie, geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 12 augustus 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. G.C. Bos, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. dr. A. Pahladsingh, leden, bijgestaan door mr. A. Back, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven