Nummer 24/45501/GA
Betreft [klager]
Datum 16 oktober 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft – voor zover in beroep aan de orde - beklag ingesteld tegen de maatregelen die hem op 11 juli 2024 zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht- of maatschappelijk risico (GVM-maatregelen).
De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 20 december 2024 het beklag ongegrond verklaard (IJ-2024-884). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. S. Schilder, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager en mr. Y. Bouchikhi, kantoorgenoot van klagers raadsvrouw, gehoord op de zitting van 13 juni 2025 in de PI Lelystad. De directeur heeft schriftelijk laten weten niet op de zitting te verschijnen.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
De oplegging van de toezichtsmaatregelen was niet noodzakelijk nu er geen sprake is van liquidatiegevaar of ondermijning van het gezag van de directie en het personeel. Op geen enkele wijze volgt immers dat het liquidatiegevaar nog actueel is. Er is geen sprake van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Er wordt slechts verwezen naar rapporten van voor 2024. Klagers voorlopige hechtenis is van 19 mei 2023 tot 11 december 2023 geschorst geweest. In die periode is er niets gebeurd, terwijl klagers adres en werk bekend waren en hij ook zelfstandig naar zijn zittingen is gekomen. Als er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van liquidatiegevaar dan was er toen alle gelegenheid om klager om het leven te brengen. Daarbij is de inhoud van het rapport van het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) van 20 december 2023 identiek aan het GRIP-rapport van 8 september 2023. De beslissing is dan ook niet gebaseerd op actuele en concrete informatie. Voorts is de beslissing onvoldoende gemotiveerd en heeft de directeur geen eigen belangenafweging gemaakt bij het nemen van de beslissing.
Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
Namens de directeur is aangegeven dat hetgeen in beklag is aangevoerd als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Voorts wordt gepersisteerd bij deze gronden en voor het overige wordt aangesloten bij de uitspraak van de beklagcommissie.
3. De beoordeling
Toetsingskader
De directeur heeft een discretionaire bevoegdheid voor wat betreft de oplegging van maatregelen aan gedetineerden die op de GVM-lijst zijn geplaatst. Bij de oplegging van maatregelen geldt – volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie – het volgende:
a. er moet sprake zijn van een noodzaak voor het opleggen van de onderhavige toezichtmaatregelen;
b. de directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan de beslissing te horen;
c. de directeur dient een eigen belangenafweging te maken en kan zijn beslissing niet slechts baseren op de plaats en status van verzoeker op de GVM-lijst.
De belangenafweging, die in het kader van de discretionaire bevoegdheid van de directeur plaatsvindt, moet toetsbaar en dus kenbaar zijn. Dat betekent dat de gemaakte belangenafweging op enigerlei wijze schriftelijk moet worden vastgelegd. De beslissing tot oplegging van de maatregelen moet worden genomen op basis van de informatie van het GRIP, de visie van de directeur en de informatie die de gedetineerde zelf verstrekt. Het horen van de gedetineerde dient dus te geschieden ten behoeve van én voorafgaand aan de door de directeur te maken belangenafweging.
Het verdient de voorkeur dat bovenstaande informatie en vooral de belangenafweging van de directeur zo duidelijk en volledig mogelijk in de beslissing naar voren komen. Dat maakt de beslissing begrijpelijk en op die manier kunnen de beklag- en de beroepscommissie de beslissing toetsen. Nadere informatie of afwegingen kunnen evenwel ook nog naar voren worden gebracht in de beklag- en beroepsprocedure.
Overwegingen van de beroepscommissie
Klager heeft ter zitting een uitspraak van de beklagcommissie van 1 mei 2025 overgelegd, die ziet op de gegrondverklaring van de klacht die gericht was tegen de op 9 januari 2025 aan klager opgelegde toezichtsmaatregelen. De beroepscommissie overweegt dat deze uitspraak niet zonder meer relevant is in de zaak die voorligt, omdat de bestreden beslissing ziet op maatregelen die een half jaar later zijn genomen en ex tunc wordt getoetst. Anders gezegd: de gegrondverklaring van de klacht tegen de op 9 januari 2025 aan klager opgelegde toezichtsmaatregelen heeft niet automatisch tot gevolg dat dezelfde conclusie moet worden getrokken ten aanzien van de op 11 juli 2024 aan klager opgelegde toezichtsmaatregelen.
Klager is op de GVM-lijst met status ‘hoog’ geplaatst op grond van de volgende criteria:
C. (risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde;
E. ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting.
Ten aanzien van het liquidatiegevaar overweegt de beroepscommissie het volgende. Uit het GRIP-rapport van 20 december 2023 volgt dat er een serieuze dreiging is op klagers leven omdat binnen het criminele milieu wordt gezegd dat klager een verklaring bij de politie heeft afgelegd. De beroepscommissie is van oordeel dat het GRIP-rapport van 20 december 2023 op zichzelf als actueel en betrouwbaar te beschouwen is (ook al was de relevante informatie op het moment van opmaken van het rapport al enkele maanden bekend). Het criterium liquidatiegevaar vraagt in dit specifieke geval echter om een grondiger motivering, omdat de voorlopige hechtenis van klager van 19 mei 2023 tot 11 december 2023 geschorst is geweest. In die periode hebben er geen incidenten plaatsgevonden, heeft klager zich vrij door Nederland kunnen begeven, is hij zelfstandig naar zijn zittingen gegaan en verbleef hij op een bekend adres. Ook de explosie van twee jaar geleden bij een woning die in verband werd gebracht met het netwerk waar klager deel van uitmaakte, is voor de beroepscommissie in dit geval zonder nadere motivering niet voldoende als onderbouwing van een actueel liquidatiegevaar. Omdat een nadere onderbouwing ontbreekt, concludeert de beroepscommissie dat de beslissing op het punt van (de actualiteit van) het liquidatiegevaar niet begrijpelijk genoeg gemotiveerd is.
Als het gaat om criterium E. – de ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting – is dat anders. Uit de bestreden beslissing volgt dat aan klager in de maanden na zijn (hernieuwde) verblijf in de PI Krimpen aan den IJssel tot 11 juli 2024 verschillende sancties en een waarschuwing zijn opgelegd wegens ondermijning van het gezag van de directeur en personeel in de inrichting: aan klager zijn een sanctie en een waarschuwing opgelegd voor het bellen met niet gescreende nummers, er is contrabande aangetroffen in klagers cel en hij is gesanctioneerd voor positieve urinecontroles. Deze informatie kan naar het oordeel van de beroepscommissie in redelijkheid worden aangemerkt als voldoende actueel, betrouwbaar en concreet en vormt in dit geval voldoende onderbouwing voor de noodzaak tot voortzetting van de opgelegde toezichtsmaatregelen. De directeur heeft voorts ook voldoende blijk gegeven van een belangenafweging, waarbij de visie van klager, voortkomend uit het hoorgesprek, is betrokken. Het beroep van klager zal gelet hierop ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie zal de uitspraak van de beklagcommissie bevestigen, met wijziging van de gronden.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt – voor zover in beroep aan de orde – de uitspraak van de beklagcommissie met wijziging van de gronden.
Deze uitspraak is op 16 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, mr. S.M. Krans en mr. D. Riani el Achhab, leden, bijgestaan door mr. M.S. Ferenczy, secretaris.
secretaris voorzitter