Nummer 25/47100/TA
Betreft [klager] (hierna: klager)
Datum 28 augustus 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van het hoofd van FPC De Kijvelanden te Poortugaal (hierna: de instelling)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen zijn plaatsing op een afdeling voor intensieve zorg als bedoeld in artikel 32 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
De beklagcommissie bij de instelling heeft op 7 maart 2025 het beklag gegrond verklaard
(K-2024-203). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Het hoofd van de instelling heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft de jurist, psychiater en coördinerend regiebehandelaar, allen werkzaam bij de instelling, gehoord op de digitale zitting van 9 juli 2025. Klagers raadsvrouw, mr. D.N.A. Brouns, heeft schriftelijk laten weten niet op de zitting te verschijnen. Klager had eveneens digitaal aan de zitting kunnen deelnemen. Klager heeft aangegeven dat hij daar geen gebruik van wilde maken. Als toehoorder was mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris bij de RSJ, aanwezig.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van het hoofd van de instelling
De beklagcommissie heeft – zakelijk weergegeven – het beklag gegrond verklaard omdat de instelling de Pro Justitia-rapportage en de indicatiestelling van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP), waarop de bestreden beslissing mede is gebaseerd, niet heeft overgelegd. Het beklag ziet echter niet op het niet overleggen van deze stukken, maar op de plaatsing van klager op een afdeling voor zeer intensieve zorg (hierna: ZIZ-afdeling). De uitspraak van de beklagcommissie gaat hieraan voorbij, heeft het beklag te ruim uitgelegd en heeft niet inhoudelijk geoordeeld over klagers plaatsing op de
ZIZ-afdeling en het voortduren daarvan. De beklagcommissie had op basis van de verstrekte inlichtingen het beklag inhoudelijk dienen te/kunnen beoordelen. De instelling acht het overleggen van de Pro Justitia-rapportage en de indicatiestelling van de NIFP niet opportuun, omdat daarmee een overvloed aan persoonlijke informatie over klager zou worden gedeeld, zonder dat die informatie relevant is voor de beoordeling van de bestreden beslissing. De instelling heeft in haar schrijven de relevante passages uit de betreffende stukken geciteerd. Daar komt bij dat klager zelf kan beschikken over de rapportage en de indicatiestelling waaruit de instelling heeft geciteerd.
De instelling wijst erop dat voorafgaand aan klagers opname in de instelling aan hem door de minister een tijdelijke status als extreem vlucht- en beheers gevaarlijk (hierna: EVBG-status) is toegekend. Mede gelet hierop heeft de instelling besloten om klager te plaatsen op
ZIZ-afdeling Olivijn. Eerst na een goede inschatting van de veiligheidsrisico’s en het noodzakelijke risicomanagement kon klager op een andere afdeling dan de ZIZ-afdeling Olivijn geplaatst worden. Op verzoek van de instelling is klagers tijdelijke EVBG-status na acht weken opgeheven en is hij intern overgeplaatst van de ZIZ-afdeling Olivijn naar de (opname)afdeling Koraal. Verder wordt verwezen naar wat reeds in de beklagprocedure is ingebracht.
Standpunt van klager
Klager sluit zich aan bij de uitspraak van de beklagcommissie.
3. De beoordeling
De beklagcommissie heeft – kort gezegd – het beklag gegrond verklaard, omdat de instelling de mede aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende Pro Justitia-rapportage en de indicatiestelling van het NIFP niet heeft overgelegd en daarmee de beginselen van een goede procesorde heeft geschonden. De beklagcommissie heeft zich inhoudelijk niet uitgelaten over klagers klacht.
De beroepscommissie stelt voorop dat de (inhoud van de) Pro Justitia-rapportage en de indicatiestelling van de NIFP in onderhavige procedure op zich niet ter beoordeling van de beklag- en beroepscommissie staat. Anders dan de beklagcommissie (en de schorsingsvoorzitter in RSJ 1 augustus 2024, 24/42166/STA voorlopig) heeft overwogen, kan naar het oordeel van de beroepscommissie de instelling dan ook niet gehouden worden om deze stukken te overleggen. Hierbij neemt de beroepscommissie mede in aanmerking dat voormelde stukken niet van de hand van de instelling zijn en in een ander kader zijn opgemaakt. Het is dan ook niet aan de instelling om deze stukken te verstrekken. Daarbij bevatten de reeds overgelegde stukken naar het oordeel van de beroepscommissie voldoende informatie om klagers beklag te kunnen beoordelen. Nu de beklagcommissie zich nog niet inhoudelijk over de klacht heeft uitgelaten, ziet de beroepscommissie reden de zaak terug te wijzen naar de beklagcommissie.
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag terugverwijzen naar de beklagcommissie om dit alsnog inhoudelijk te beoordelen.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie. Zij wijst het beklag terug naar de beklagcommissie om dit alsnog inhoudelijk te beoordelen.
Deze uitspraak is op 28 augustus 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. D. van der Sluis, voorzitter, mr. L.C.P. Goossens en drs. D. van der Meer, leden, bijgestaan door mr. G.J.M. Ankersmit, secretaris.
secretaris voorzitter