Nummer 25/48042/GA
Betreft [klager]
Datum 19 augustus 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
- het feit dat klager enkel vanaf de spreekkamer mag bellen, met als gevolg een beperking in het contact met zijn advocaat (IJ-2025-84);
- de beslissing van 28 januari 2025 om hem het bezoek van en telefoneren met zijn partner voor drie maanden te ontzeggen (IJ-2025-138).
De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 9 april 2025 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. N.M. van Boekel, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager en K. Tieland, waarnemer van zijn raadsman gehoord op de zitting van 29 juli 2025 in het Justitieel Complex Zaanstad. De directeur heeft schriftelijk laten weten niet op de zitting te verschijnen. Drs. T.A. Venrooij, lid bij de RSJ, was als toehoorder aanwezig.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Beklag a.
Klager kreeg van een personeelslid te horen dat hij voortaan weer vanaf de afdeling zou mogen bellen. Kort daarna kwam een personeelslid bij zijn cel en vertelde hem dat hij toch niet meer vanaf de afdeling mag bellen, maar enkel vanaf de spreekkamer. Desgevraagd zou het afdelingshoofd hebben toegelicht dat gedetineerden met maatregelen vanwege hun status als gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-maatregelen) niet mogen bellen vanaf de afdeling. Klager stelt daardoor te worden beperkt in het contact met zijn advocaten.
Iedere belemmering of bemoeilijking in de uitoefening van het recht tot contact met een advocaat, dient te worden onderbouwd met een uitdrukkelijke belangenafweging. Ook dient te worden afgevraagd welke alternatieve maatregelen met minder ingrijpende gevolgen mogelijk zijn. Immers dient een oordeel te worden geveld over de noodzakelijkheid van de beperking van klagers rechten.
Beklag b.
In het besluit staat dat klagers persoonlijke belangen zijn meegewogen, maar uit het besluit blijkt geenszins welke persoonlijke belangen worden bedoeld. Er blijkt niet van een belangenafweging.
Klager kan inmiddels al bijna een jaar zijn partner niet zien en spreken. Klager heeft wel contact via brieven, maar dat is niet hetzelfde. Klager en zijn partner kampen met ernstige gezondheidsproblematiek. Kennisname van de meest recente ontwikkelingen omtrent elkaars gezondheid is van belang. Ook is het op deze manier heel erg lastig om praktische zaken te regelen over bijvoorbeeld het huis. Indien de communicatie middels post dient te verlopen, kan het een week duren voordat een briefkaart bij de één wordt aangeleverd, laat staan hoeveel tijd eroverheen gaat voordat de ander een reactie heeft ontvangen.
Het belang van klager om zijn partner te zien en spreken is een belang waar niet lichtzinnig over mag worden gedacht. De beslissing levert een inmenging op in het recht genoemd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zonder dat blijk wordt gegeven van de noodzaak voor deze inmenging. In de onderbouwing van het besluit is geen enkel woord besteed aan de belangen van klager, dan wel waarin de kwalijkheid is gelegen bij het specifieke contact van klager met zijn partner.
De beslissing is mede gebaseerd op de indicaties (risico op) ontvluchting en (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Klager functioneert echter goed in detentie en er is geen sprake van ongeregeldheden. Er zijn geen aanwijzingen dat hij communiceert over criminele zaken en ook het vluchtgevaar is speculatief. Er zijn geen signalen van voorbereidingen.
De stelling dat het voortgezet crimineel handelen vanuit detentie zeker of juist via klagers partner kan verlopen, is geenszins onderbouwd en belangrijke nuances zijn daarbij achterwege gelaten. Klagers partner is weliswaar aangemerkt als verdachte in een witwasonderzoek, maar deze verdenking ziet op een afgeleide vorm. De verdenking ziet erop dat mevrouw onverklaarbaar vermogen zou hebben uitgegeven, waarbij geldt dat het onverklaarbare vermogen zou zijn gegenereerd door haar partner. Klagers partner is zelf in geen enkel verband gebracht met vermeende onderliggende activiteiten van haar partner en/of anderen. Het witwasonderzoek is niet specifiek gebaseerd op criminele activiteiten, maar is gebaseerd op basis van een onverklaarbare inkomenspositie. Het hoger beroep loopt nog. Klagers partner heeft niets te maken met de strafzaak van klager, daarin is en was zij geen verdachte. De aangehaalde Spaanse zaak met cryptocommunicatie is een zaak waarin de zoon van klager is aangemerkt als verdachte. Klager zelf is daarin geen verdachte. Klager betwist verder dat hij een lid van de organisatie zou hebben helpen vluchten naar Spanje. Ook betwist klager toegang te hebben tot het geld van de criminele organisatie.
Standpunt van de directeur
Beklag a.
De directeur heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het standpunt in beroep (nader) toe te lichten.
Beklag b.
De directeur verwijst naar hetgeen in de beklagprocedure is aangevoerd. Verder heeft klager voorafgaand aan de beklagzitting nooit kenbaar gemaakt wat de gezondheidssituatie van zijn partner was of verzocht om dit in overweging te nemen bij een beslissing op het screeningsverzoek. Na de uitspraak van de beklagcommissie heeft de directeur aan klager gevraagd om de situatie nader toe te lichten en is er een verzoek ingediend voor advies van de afdeling Individuele Medische Advisering.
3. De beoordeling
Beklag a.
Uit het verweerschrift van de directeur volgt dat aan klager GVM-maatregelen zijn opgelegd, waaronder het houden van toezicht op de belduur en het opnemen en afluisteren van telefoongesprekken. Vanwege die maatregelen dient klager bij het personeel aan te geven wanneer hij gebruik wil maken van de telefoon. Volgens de directeur is de beslissing om klager enkel vanaf de spreekkamer te laten bellen noodzakelijk om de GVM-maatregel(en) uit te kunnen voeren. Dat is naar het oordeel van de beroepscommissie niet onbegrijpelijk.
Gesteld noch gebleken is dat klager niet minstens eenmaal per week tien minuten kan bellen (zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw)). Hoewel de beroepscommissie begrijpt dat het voor klager lastig is om enkel vanaf de spreekkamer te kunnen bellen, is niet gebleken dat klagers recht om vertrouwelijk te bellen met zijn advocaat indien hiervoor de noodzaak en gelegenheid bestaat (zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de (Pbw), wordt beperkt.
Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie beklag a. terecht ongegrond heeft verklaard. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren.
Beklag b.
Bij beslissing van 28 januari 2025 heeft de directeur bepaald dat klagers partner gedurende drie maanden niet bij klager op bezoek mag komen en dat zij geen telefonisch contact met hem mag hebben.
Naar aanleiding van het door klager ingediende screeningsverzoek is informatie opgevraagd bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) en het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP). Het GRIP heeft de volgende informatie gegeven. Klagers partner is medeverdachte in een witwasonderzoek en in eerste aanleg veroordeeld. Klager wordt (in een ander onderzoek) verdacht van diverse Opiumwetdelicten en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. In een andere Opiumwetzaak pakt klager een strategische rol: hij stemt getuigenverklaringen af, maakt afspraken met advocaten en bepaalt de strategie in die zaak. Ook heeft klager een lid van de criminele organisatie helpen vluchten en heeft hij toegang tot het geld van de criminele organisatie. Een ander lid heeft zich onttrokken aan het bevel gevangenhouding. Volgens het GRIP zijn er dan ook diverse aanwijzingen voor het risico op en het vermoeden van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie en kan dat juist via klagers partner verlopen. Het BIV heeft laten weten dat er één keer contact is geweest tussen klager en zijn partner nadat klager in de PI Krimpen aan den IJssel werd geplaatst, ondanks dat dat op basis van de al opgelegde GVM-maatregelen niet was toegestaan.
De beroepscommissie acht het op grond van bovenstaande informatie voorstelbaar dat er met een zekere voorzichtigheid moet worden omgegaan met klagers contact met de buitenwereld. De gegeven informatie ziet echter vooral op klager zelf en zijn rol binnen een criminele organisatie die zich bezighoudt met Opiumwetdelicten. Klagers partner is veroordeeld in een andere witwaszaak, maar uit niets blijkt dat zij in verband kan worden gebracht met de overige strafzaken tegen klager. De beroepscommissie acht de stelling van de directeur dat het voortgezet crimineel handelen vanuit detentie ‘zeker of juist via’ klagers partner kan verlopen – zonder nadere onderbouwing – dan ook niet aannemelijk geworden.
In aanvulling hierop overweegt de beroepscommissie het volgende. Het is klager al langere tijd wel toegestaan om via de post contact te hebben met zijn partner. Kennelijk acht de directeur het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie voldoende ingeperkt door het houden van toezicht op de poststukken. Aan klager zijn ook toezichtmaatregelen met betrekking tot bezoek en telefonie opgelegd, namelijk individueel bezoek met toezicht en het opnemen, afluisteren en vertalen van telefoongesprekken en gesprekken tijdens bezoek. Gelet op deze toezichtsmaatregelen ziet de beroepscommissie, op basis van de beschikbare informatie, de noodzaak van de bezoek- en telefoonontzegging van klagers partner niet.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag b. alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €60,-.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €60,-.
Deze uitspraak is op 19 augustus 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. W.S. Korteling, voorzitter, mr. R.A.E. van Noort en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.
secretaris voorzitter