Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/40864/GA, 24 oktober 2025, beroep
Uitspraakdatum:24-10-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          24/40864/GA

Betreft klager

Datum 24 oktober 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen het aanstaan van de opnameapparatuur tijdens het bezoek van de juridisch medewerker van klagers advocaat.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 14 mei 2024 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag (IJ-2024-473). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. E.A. Blok, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Krimpen aan den IJssel (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Op 16 april 2024 heeft een juridisch medewerker (namens klagers advocaat) klager bezocht in verband met een rogatoir verhoor de volgende dag. Het bezoek heeft plaatsgevonden in spreekkamer 3. Klager en de juridisch medewerker zagen een lampje branden en tegen het eind van het bezoek hoorden zij de apparatuur en pratende bewaarders. Het vermoeden is ontstaan dat het gesprek werd afgeluisterd. De juridisch medewerker heeft op de bel gedrukt om te informeren. Er werd verteld dat spreekkamer 3 niet in verbinding staat met de ruimte van de bewaarders, maar met de aangrenzende kamer van de bezoekruimte. De apparatuur zou per ongeluk hebben aangestaan. In de avond heeft een bewaarder aan klager bevestigd dat het gesprek was afgeluisterd.

De advocaat heeft meerdere keren nagevraagd of het gesprek is opgenomen en/of afgeluisterd. Aan klager zijn namelijk maatregelen opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-maatregelen), waaronder het afluisteren van bezoek en het opnemen van gesprekken. Van de directie is geen reactie ontvangen over beleid met betrekking tot ambtelijk bezoek, niet zijnde advocaten. Gesprekken met een rechtsbijstandsverlener mogen niet worden opgenomen.

Klager verzoekt om het beroep mondeling te mogen toelichten en om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Standpunt van de directeur

De directeur sluit zich aan bij de uitspraak van de beklagrechter.

 

3. De beoordeling

Verzoek van klagers raadsvrouw

Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

 

Reikwijdte begrip ‘rechtsbijstandverlener’

Uit artikel 38, zevende lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, aanhef en onder j, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) volgt dat de gedetineerde en diens rechtsbijstandverlener zich tijdens het bezoek in beginsel vrijelijk kunnen onderhouden. Eventuele toezichthoudende maatregelen mogen er niet toe leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de gedetineerde en diens rechtsbijstandverlener bij derden bekend kunnen worden.

Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of een juridisch medewerker van een advocaat kan worden aangemerkt als een rechtsbijstandverlener zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van de Pbw en in het verlengde daarvan of een juridisch medewerker van een advocaat kan worden gerekend tot de categorie geprivilegieerde personen zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Pbw.

Het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ wordt in artikel 1, aanhef en onder i, van de Pbw gedefinieerd als – voor zover hier van belang – ‘de advocaat’. Uit de memorie van toelichting bij de Pbw volgt geen nadere toelichting op het begrip ‘rechtsbijstandverlener’. De Pbw geeft geen blijk van een bedoeling tot ruimere interpretatie van het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ anders dan een advocaat, in die zin dat hieronder mede personen met een afgeleid verschoningsrecht zouden moeten worden verstaan.

De beroepscommissie heeft eerder - in RSJ 28 maart 2022, 21/23868/GA – overwogen dat een ruimere interpretatie ook niet de bedoeling is (geweest) van de wetgever. Uit de memorie van toelichting bij de Pbw volgt immers dat de positie van de in artikel 37 van de Pbw genoemde personen en instanties voor zowel het corresponderen, het bezoeken als het telefoneren van en met gedetineerden geldt. Indien personen met een afgeleid verschoningsrecht – zoals de juridisch medewerker van een advocaat – zouden worden aangemerkt als een rechtsbijstandverlener zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder j, van de Pbw, dan zou dit betekenen dat iedere persoon in deze categorie – waaronder bijvoorbeeld ook deskundigen – niet alleen geprivilegieerd telefonisch contact mogen hebben met gedetineerden, maar ook toegang hebben tot gedetineerden in de inrichting en zich in beginsel vrijelijk met gedetineerden kunnen onderhouden. Dit recht acht de beroepscommissie voorbehouden aan de advocaat.

De beroepscommissie komt dan ook tot de conclusie dat een juridisch medewerker van een advocaat niet onder de reikwijdte van het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ valt als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van de Pbw. Daarom bestaat er tussen een juridisch medewerker en een gedetineerde geen (recht op) geprivilegieerd contact.

 

De ontvankelijkheid van klager in het beklag

Dat de juridisch medewerker niet kan worden aangemerkt als een geprivilegieerd persoon, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat er toezicht kon worden uitgeoefend op het bezoek. Het is voor de beroepscommissie echter niet duidelijk óf er toezicht is uitgeoefend op het bezoek en zo ja, of dat – in het kader van klagers GVM-maatregelen – ook diende te gebeuren of dat de opnameapparatuur bijvoorbeeld per ongeluk heeft aangestaan. Uit de reactie van de directeur leidt de beroepscommissie af dat er in ieder geval niet uitdrukkelijk is beslist om toezicht om het bezoek uit te oefenen. Nu de directeur niet inhoudelijk heeft gereageerd op het beroep, gaat de beroepscommissie er bij de beoordeling – in het voordeel van klager – van uit dat er geen toezicht op het bezoek diende te worden uitgeoefend, maar dat de opnameapparatuur per ongeluk wel was ingeschakeld.

Deze situatie kan gelijk worden gesteld met een beslissing van de directeur, zoals bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, als sprake is van een beklag met voldoende belang voor de gedetineerde. Daarvan is in beginsel slechts sprake wanneer de directeur volgens de gedetineerde jegens hem “structureel en in belangrijke mate tekortschiet in zijn verzorgende taken” (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76).

Het gestelde probleem moet zich naar het oordeel van de beroepscommissie (als meest algemene uitgangspunt) in beginsel minimaal drie keer in drie maanden – voorafgaand aan het beklag – hebben voorgedaan, om te kunnen spreken van mogelijk ‘structureel tekortschieten’. Dat is echter mede afhankelijk van de aard en ernst (c.q. belangrijkheid) van het probleem.

Als voldoende belang bij het beklag ontbreekt – wat dus losstaat van de vraag of het feitelijk klopt wat de gedetineerde heeft gesteld – dan moet de gedetineerde niet-ontvankelijk in zijn beklag worden verklaard.

In de door klager gestelde omstandigheden, zou het eenmalig per ongeluk ingeschakeld zijn van de opnameapparatuur geen structurele en belangrijke tekortkoming in de verzorgende taken van de directeur kunnen zijn. Daarom heeft klager onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beklag. Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter klager terecht niet-ontvankelijk in zijn beklag heeft verklaard. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 24 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. F. Sieders, voorzitter, mr. E.B.J. van Elden en mr. J.J. Klomp, leden, bijgestaan door mr. L.A.E. Rijnja, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven