Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/45854/GM, 8 augustus 2025, beroep
Uitspraakdatum:08-08-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          25/45854/GM

Betreft klager

Datum 8 augustus 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beroep ingesteld tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts van de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Lelystad (hierna: de inrichtingsarts). Klager beklaagt zich erover dat

 Hij geen contra-indicatie krijgt voor een meerpersoonscel (MPC);

 Hij de psycholoog niet te spreken krijgt;

 Hij lang moet wachten voor een oproep door de fysiotherapeut;

 Hij niet arbeidsongeschikt wordt verklaard.

De medisch adviseur bij het ministerie van Justitie & Veiligheid heeft bemiddeld. Het bemiddelingsverslag bevindt zich in het dossier.

De beroepscommissie heeft klager en de inrichtingsarts in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Ten aanzien van 1

Klager is op 23 augustus 2024 overgeplaatst van de PI Leeuwarden naar de PI Lelystad. In zijn selectie-overdrachtspapieren is duidelijk aangegeven dat klager ongeschikt is voor plaatsing in een MPC. Het schijnt dat de contra-indicatie voor een MPC vanuit de PI Leeuwarden is ingetrokken, maar dit is nooit door de inrichting aan klager meegedeeld.

Op 4 december 2024 heeft de psycholoog aan klager verteld dat zijn contra-indicatie opnieuw moet worden beoordeeld en dat zijn PTSS en angststoornis geen geldige reden zijn voor een contra-indicatie. Klager is met een medegedetineerde in een MPC geplaatst en heeft dit als een hel ervaren.

 

Ten aanzien van 2

Op 26 augustus 2024 heeft klager bij de verpleegkundige aangegeven dat hij een psycholoog wilde spreken. Aan klager werd verteld dat de huisarts hem diezelfde dag nog zou oproepen. Dit is echter niet gebeurd, omdat klager in de isoleercel verbleef. De huisarts heeft klager in de isoleercel bezocht voor het controleren van klagers bloeddruk. Klager verbleef van 26 augustus tot 31 augustus 2024 in de isoleercel en heeft dagelijks laten weten een psycholoog te willen spreken vanwege mentale problemen en trauma’s die dagelijks erger werden. Klager heeft meerdere verzoekbriefjes aan de medische dienst geschreven. Klager is van mening dat hij op zijn minst de kans had moeten krijgen om met een psycholoog te spreken.

De mentor van klager heeft contact opgenomen met de medische dienst, maar kreeg te horen dat klager geen psychologische hulp nodig zou hebben. Klager is maandenlang professionele hulp geweigerd. Het PMO waarin is gesproken over zijn wens voor een contra-indicatie heeft op 3 september 2024 plaatsgevonden.

 

Ten aanzien van 3

Op 6 september 2024 is aan klager verteld dat hij op de wachtlijst voor de fysiotherapie zou worden geplaatst. Op 7 september 2024 is er een verwijzing naar de fysiotherapeut gemaakt. Klager is hiervan pas per brief van de medische dienst van 13 september 2024 op de hoogte gebracht. Vervolgens heeft klager niets meer vernomen en heeft hij een verzoekbrief ingevuld. Op 21 oktober 2024 heeft klager een brief van de medische dienst ontvangen waarin is bevestigd dat hij op de wachtlijst voor de fysiotherapeut staat. Tijdens het gesprek met het plaatsvervangend hoofd zorg op 25 oktober 2024 is klager erover geïnformeerd dat er geen wachtlijst bestaat. Omdat er excuses zijn aangeboden, is de zaak daarmee in de ogen van de medisch adviseur afgedaan. Klager is echter verbaasd over deze uitspraak en is het daar niet mee eens.

 

Ten aanzien van 4

Op 5 september 2024 kon klager vanwege zijn beperkingen geen arbeid verrichten. Op 6 september 2024 is klager hiervoor opgeroepen voor het spreekuur bij de verpleegkundige. Bij klagers overplaatsing vanuit de PI Leeuwarden zijn alle medische documenten meegestuurd, waarin onder andere staat genoteerd dat hij twee keer geopereerd is en dat hij een chronisch beperkte rechterhand heeft die zeer beperkt tot niet bruikbaar is. Desondanks is klager teruggestuurd naar de arbeid, zonder dat een arts of fysiotherapeut zijn hand heeft onderzocht. Op 16 september 2024 heeft klager een brief ontvangen over zijn migraineklachten, waarin staat dat zijn arbeidsongeschiktheid tijdens het MDO zou worden besproken. Volgens een piw’er heeft dit overleg op 17 september 2024 plaatsgevonden. Klager vindt dit opmerkelijk, omdat hij niet is onderzocht door de verpleegkundige, huisarts of fysiotherapeut, terwijl wel de conclusie is getrokken dat hij geen duidelijke klachten of slechts onduidelijke beperkingen zou hebben. Tot op de dag van vandaag heeft klager geen aangepaste arbeid aangeboden gekregen. Sinds 18 september 2024 staat hij als niet-werker geregistreerd en ontvangt hij geen wachtgeld meer.

 

Standpunt van de inrichtingsarts

Het plaatsvervangend hoofd zorg is het eens met de medisch adviseur. De zorgafdeling heeft een aantal zaken niet adequaat opgepakt. De reden daarvan is onduidelijk. Zijn verwijzingen wel doorgekomen en is de juiste informatie wel op de juiste plaats terechtgekomen? Na het gesprek met klager heeft het plaatsvervangend hoofd zorg geprobeerd de medische zorg op de rails te krijgen. Het spijt het plaatsvervangend hoofd zorg dat er zaken zijn waarop hij geen invloed heeft. Het wel of niet promoveren op basis van gedrag is daar een van.  

 

3. De beoordeling

 

Ten aanzien van 1, 2 en 3

Uit het medisch dossier en het bemiddelingsverslag blijkt dat de medische dienst een aantal hulpvragen van klager niet adequaat heeft opgepakt. De medische dienst heeft dat ook erkend. Het heeft te lang geduurd voordat klager door de psycholoog is gezien en klager door de fysiotherapeut is opgeroepen. Met betrekking tot het al dan niet krijgen van een contra‑indicatie voor een MPC, geldt dat de inrichtingsarts de directeur kan adviseren een gedetineerde op medische gronden niet op een MPC te plaatsen. Het is de directeur van de inrichting die uiteindelijk de beslissing tot plaatsing op een MPC neemt. De aantekeningen in het medisch dossier ‘Ptss is geen contra-indicatie’ en ‘pmo gaat niet over het epc’ gaan uit van een te beperkte rol van de inrichtingsarts bij het afgeven van een contra‑indicatie voor een MPC. Dit klemt temeer omdat klager in de vorige PI wel een contra‑indicatie voor een MPC had gekregen. De inrichtingsarts van de PI Lelystad had minstens moeten onderzoeken of er op medische gronden opnieuw reden was voor een contra‑indicatie voor een MPC.   

Het handelen van de inrichtingsarts moet derhalve als onzorgvuldig worden aangemerkt en is daarmee in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen en stelt deze vast op €100,-.

 

Ten aanzien van 4

Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden die in de PI Lelystad kunnen worden verricht zal de inrichtingsarts zelfstandig moeten beoordelen of klager arbeidsongeschikt is. Hierbij speelt een rol dat arbeid in een PI een ander karakter en functie heeft dan in de maatschappij. Arbeid dient (mede) om de gedetineerde een zinvolle dagbesteding te geven. Klagers arbeids(on)geschiktheid is besproken in het MDO. Daarbij heeft de inrichtingsarts te kennen gegeven dat er geen reden is voor arbeidsongeschiktheid maar dat de arbeid wel aangepast werk voor klager moet zoeken.

 

Het handelen van de inrichtingsarts kan in zoverre niet worden aangemerkt als in strijd met de norm zoals bedoeld in artikel 71f, derde lid, onder a. of b., van de Penitentiaire beginselenwet. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van klacht 1, 2 en 3 gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €100,-.

De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van klacht 4 ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 8 augustus 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, drs. M.I. van den Baar-Vroon en drs. B.A. Geurts, leden, bijgestaan door mr. S. Jousma, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven