Nummer 24/41785/GA
Betreft [klager]
Datum 14 oktober 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft – zo begrijpt de beroepscommissie – beklag ingesteld tegen:
-
het uitsluiten van deelname aan de arbeid, voor de duur van zes weken, vanwege diverse keren dat klager niet is komen opdagen bij de arbeid en ziekmeldingen (G‑2024‑464);
-
de beslissing om hem te degraderen naar het basisprogramma (G‑2024‑465).
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard heeft op 3 juli 2024 beklag a. ongegrond verklaard en klager niet-ontvankelijk verklaard in beklag b. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. M.M.J.P. Penners, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Sittard (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
Beklag a.
Regelgeving en beoordelingskader
Op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Regeling arbeid gedetineerden (hierna: de Regeling) vervalt de zorgverplichting van de directeur voor de beschikbaarheid van arbeid ten aanzien van een gedetineerde die vanwege zijn gedrag tijdens de arbeid op grond van een besluit van de directeur structureel is uitgesloten van toegang tot arbeid. In de beslissing bepaalt de directeur de duur van de uitsluiting.
Uit de memorie van toelichting bij de Wet straffen en beschermen (Kamerstukken II 2018/2019, 35 122, nr. 3, p. 48, onderdeel K.) komt naar voren dat de arbeidsplicht per 1 juli 2021 is komen te vervallen, maar dat het verrichten van arbeid in beginsel aan iedere gedetineerde wordt aangeboden. Gedetineerden die wel in staat, maar niet bereid zijn om zich in te zetten en een prestatie te leveren (ongemotiveerde gedetineerden), kunnen uitgesloten worden van de arbeid. Uit de memorie van toelichting bij (onder meer) de Regeling volgt dat de directeur niet lichtvaardig kan beslissen tot uitsluiting van de arbeid, wangedrag van de gedetineerde tijdens de arbeid moet een structureel karakter hebben en de directeur doet er verstandig aan om de gedetineerde eerst te waarschuwen met bijvoorbeeld een disciplinaire straf (Stcrt. 2021, 28357).
Beslissing tot uitsluiting van deelname aan de arbeid
Uit de stukken volgt dat klager met ingang van 31 mei 2024 voor de duur van zes weken is uitgesloten van deelname aan de arbeid. De directeur legt aan deze uitsluiting ten grondslag dat klager ‘diverse keren’ niet is komen opdagen bij de arbeid en dat hij zich ‘meerdere keren’ heeft ziekgemeld. Deze ziekmeldingen zijn niet bevestigd door de medische dienst. Klager betwist dit en stelt dat hij drie keer bij de medische dienst is geweest, namelijk op 20 mei, 22 mei en 28 mei 2024. Hierdoor was hij in de veronderstelling dat hij geoorloofd ziek was gemeld. Hij had deze afspraken vanwege slaapproblemen, een hoge bloeddruk, hoofdpijn en psychische problematiek. Daarnaast volgt uit de schriftelijke mededeling van de uitsluiting dat klager ‘herhaaldelijk’ is aangesproken bij de arbeid om deel te nemen aan de arbeid en dat dit niet tot verbetering heeft geleid. Ook dit betwist klager stellig en hij stelt dat de uitsluiting erg plotseling kwam voor hem.
De directeur heeft zijn beslissing slechts summier toegelicht. Hierdoor is naar het oordeel van de beroepscommissie in dit geval onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke dagen volgens de directeur niet is komen opdagen dan wel zich heeft ziekgemeld. Ook is het niet duidelijk of klager eerst is gewaarschuwd voor zijn gedrag tijdens de arbeid. Aangezien de bestreden beslissing niet lichtvaardig kan worden genomen en klager de betreffende voorvallen betwist, had van de directeur in dit geval verwacht mogen worden dat hij de beslissing gemotiveerd had toegelicht, door bijvoorbeeld inlichtingen bij de arbeid op te vragen en/of dagrapportages van de arbeid over te leggen die blijk geven van het gestelde wangedrag. Nu de directeur dit niet heeft gedaan, is naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende gemotiveerd dat sprake is geweest van structureel wangedrag, als bedoeld in artikel 1a, van de Regeling.
Bij deze stand van zaken moet de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter in zoverre vernietigen en beklag a. alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €40,-, te vermeerderen met het gemiste arbeidsloon in de betreffende periode van zes weken.
Beklag b.
Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet kan tegen de uitspraak van de beklagrechter een beroepschrift worden ingediend dat met redenen omkleed dient te zijn. Het (pro forma) beroepschrift van 8 juli 2024 voldoet niet aan die eis. Klagers raadsman is bij e‑mailbericht van 16 juli 2024 in de gelegenheid gesteld om binnen een daarvoor gegeven termijn de gronden van het beroep alsnog schriftelijk mede te delen. Van die mogelijkheid is – voor beklag b. – geen gebruik gemaakt binnen de gegeven termijn. De beroepscommissie zal klager daarom inzake beklag b. niet-ontvankelijk verklaren in zijn beroep.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €40,-, te vermeerderen met het gemiste arbeidsloon in de betreffende periode van zes weken.
De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep inzake beklag b .
Deze uitspraak is op 14 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. F. Sieders, voorzitter, mr. E.B.J. van Elden en mr. J.J. Klomp, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.
secretaris voorzitter