Nummer 24/42909/GA
Betreft [klager]
Datum 14 oktober 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
-
een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, waarvan twee dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie maanden, vanwege aangetroffen contrabande in zijn cel, ingaande op 3 april 2024
(Nh 2024/213);
-
de beslissing van 9 april 2024 om hem te degraderen naar het basisprogramma
(Nh 2024/227).
De beklagcommissie bij de locatie Norgerhaven te Veenhuizen heeft op 29 augustus 2024 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de locatie Norgerhaven (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
Beklag a.
Op grond van artikel 51, eerste lid, in verbinding met artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet, kan de directeur een disciplinaire straf opleggen van opsluiting in een strafcel voor ten hoogste twee weken, indien een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting of met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
Uit de stukken volgt dat op 3 april 2024 een inspectie is uitgevoerd in klagers cel en dat daarbij in het rubber van zijn koelkastdeur een substantie is aangetroffen. In het aan de disciplinaire straf ten grondslag liggende schriftelijke verslag staat: “Tijdens de inspectie op cel [nummer], de cel waar [klager] verblijft heb ik in de koelkast boven in het rubber van de deur, 0,21 gram hasj gevonden”. Namens klager is in beroep onweersproken aangevoerd dat de substantie niet is getest.
Uit vaste jurisprudentie van de beroepscommissie volgt dat substanties die bij een gedetineerde worden aangetroffen moeten worden getest en dat van die test een schriftelijk verslag moet worden opgemaakt (zie bijvoorbeeld RSJ 8 juni 2022, R-20/8140/GA en RSJ 4 april 2025, 24/38857/GA). Het ontbreken van een dergelijk verslag kan tot de conclusie leiden dat de directeur een gedetineerde niet disciplinair mocht straffen voor de aangetroffen substantie, maar onder bepaalde omstandigheden van het geval kan de directeur toch in redelijkheid concluderen dat het om een verdovend middel gaat (vergelijk RSJ 11 september 2020, R-19/4214/GA).
Een verslag zoals hiervoor bedoeld, bevindt zich niet bij de stukken. Gelet op de vermelding van het gewicht en de aard van de substantie begrijpt de beroepscommissie dat deze mogelijk wel is onderzocht, maar op basis van de stukken is niet aannemelijk geworden dat de substantie ook daadwerkelijk is getest. Het dossier biedt verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de aangetroffen substantie hasj betrof. Gelet daarop is onvoldoende toetsbaar of klager in het bezit was van hasj en als gevolg daarvan is ook niet toetsbaar of de aan klager opgelegde disciplinaire straf redelijk en billijk is.
Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag a. alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. Deze zal worden vastgesteld op €30,- (€10 per dag voor het onvoorwaardelijke deel van de straf).
Beklag b.
De directeur heeft aan de bestreden degradatiebeslissing ten grondslag gelegd dat in klagers cel hasj is aangetroffen. In dit geval is echter niet toetsbaar of klager in het bezit was van hasj. Gelet daarop kan dit de degradatiebeslissing niet dragen. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag b. alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. Deze stelt de beroepscommissie vast op €45,-.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart de klachten alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van in totaal €75,-.
Deze uitspraak is op 14 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. R.A.E. van Noort, voorzitter, mr. L.C.P. Goossens en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. L. van der Linden, secretaris.
secretaris voorzitter