Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/42280/GA, 3 oktober 2025, beroep
Uitspraakdatum:03-10-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           24/42280/GA

Betreft klager

Datum  3 oktober 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft – voor zover in beroep aan de orde – beklag ingesteld tegen:

  1. een disciplinaire straf van zeven dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie en celtelefonie, vanwege het aantreffen van een hoeveelheid van 0.4 gram harddrugs in zijn cel bij een celinspectie, ingaande op 22 februari 2024 (OH‑2024‑111);
  2. de beslissing van 20 februari 2024 om hem niet te promoveren naar het plusprogramma (OH‑2024‑112).

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Achterhoek te Zutphen heeft op 15 juli 2024 de klachten ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Achterhoek (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Om de verantwoordelijkheid en individuele verwijtbaarheid op een later moment te kunnen vaststellen, is het van belang dat een gedetineerde bij een (eerste) plaatsing de mogelijkheid krijgt om samen met een medewerker van de inrichting de cel op contrabande te controleren. Op het moment dat daarvan een verslag wordt opgemaakt, wordt voorkomen dat op een later moment onduidelijkheid bestaat over de herkomst van aangetroffen contrabande in de cel.

In dit geval is niet weersproken dat er geen gezamenlijke controle van de cel heeft plaatsgevonden en dat ten tijde van de plaatsing van klager in zijn cel er geen contrabande aanwezig was in het klepraampje van de cel. Ook is niet weersproken dat het klepraampje voor 20 februari 2024 niet werd gebruikt door klager en dat tijdens eerdere celinspecties niet is gecontroleerd op contrabande. Op grond daarvan is niet onaannemelijk dat de contrabande al voor de komst van klager in het klepraampje van de cel aanwezig was en dat de aanwezigheid van de contrabande eenvoudigweg niet eerder is opgemerkt door klager en medewerkers van de inrichting.

Dat klager niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de contrabande volgt ook uit het feit dat hij inmiddels al geruime tijd in hechtenis verblijft en hij nooit disciplinair is bestraft voor het gebruik van harddrugs. In het licht daarvan kan worden aangenomen dat klager geen harddrugs gebruikt en dat daarmee hoogst onwaarschijnlijk is dat hij (wel) harddrugs in zijn cel bewaart, met name ook omdat hij weet dat hij vaker aan een celinspectie wordt onderworpen dan andere gedetineerden.

Aangezien uit de voorhanden stukken verder niet volgt op welke wijze het klepraampje werd aangetroffen (bijvoorbeeld onder omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het klepraampje al geruime tijd niet was gebruikt), of het klepraampje beschadigingen had (waardoor bijvoorbeeld de mogelijkheid bestond dat contrabande via de buitenkant in het klepraam zijn geplaatst, waarmee kan worden verklaard dat de hond tijdens de eerste celinspectie niets vond in de cel van klager) en wanneer het klepraampje voor de laatste keer door een medewerker op contrabande was gecontroleerd, kan klager niet verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van de aangetroffen harddrugs.

Daarnaast volgt uit de voorhanden stukken niet dat de in klagers cel aangetroffen substantie is getest en dat daarvan een schriftelijk verslag is opgemaakt. Hierdoor is niet toetsbaar of de disciplinaire straf – en daarmee de beslissing tot niet promoveren – redelijk is. Dat de substantie in aanwezigheid van een drugshond is gevonden, is onvoldoende om te concluderen dat de aangetroffen substantie – waarvan klager ook niet weet wat het is – daadwerkelijk harddrugs betreft.

Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Standpunt van de directeur

De directeur heeft zijn standpunt in beroep niet (nader) toegelicht.

 

3. De beoordeling

Beklag a.

Aan klager is op 22 februari 2024 een disciplinaire straf opgelegd van zeven dagen opsluiting in zijn eigen cel. De directeur heeft aan deze beslissing de vondst van contrabande bij een celinspectie, meer specifiek 0.4 gram harddrugs, ten grondslag gelegd.

Klager verblijft op een eenpersoonscel. Uit het schriftelijk verslag volgt dat op 20 februari 2024 een celinspectie heeft plaatsgevonden op zijn cel. In eerste instantie is geen contrabande aangetroffen. Zijn cel is vervolgens opnieuw gecontroleerd, omdat hij het volgende naar buiten heeft geschreeuwd in het Papiaments: “Ze hebben niets bij mij gevonden”. Tijdens deze celinspectie, met behulp van een drugshond, is een hoeveelheid van 0.4 gram harddrugs aangetroffen in het ventiliatieklepje van zijn celraam. Volgens vaste jurisprudentie kan een gedetineerde in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor wat er zich in zijn cel bevindt. Dit is slechts anders indien de gedetineerde voldoende aannemelijk maakt dat hij van de aanwezigheid van contrabande niet op de hoogte was of redelijkerwijs niet geacht kan worden te zijn (RSJ 30 december 2014, 14/3297/GA). Ondanks de stellige ontkenning van klager, is naar het oordeel van de beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden dat klager op de hoogte was van de contrabande in zijn cel. Hoewel klager aldus verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er in zijn cel is gevonden, overweegt de beroepscommissie het volgende over de aangetroffen contrabande.

In beroep betwist klager dat de gevonden substantie harddrugs betreft. Uit het dossier volgt niet hoe is vastgesteld dat er sprake is van harddrugs. Klager stelt onweersproken dat de aangetroffen substantie niet is getest. De beroepscommissie constateert dat noch uit het schriftelijk verslag noch uit de schriftelijke mededeling van de disciplinaire straf noch uit de inlichtingen van de directeur in beklag blijkt dat de gevonden substantie is getest in de inrichting. De beroepscommissie heeft eerder overwogen dat substanties die bij een gedetineerde worden aangetroffen, dienen te worden getest en dat van die test een schriftelijk verslag moet worden opgemaakt. Het ontbreken van een dergelijk verslag maakt dat niet toetsbaar is of de aan klager opgelegde disciplinaire straf redelijk is (zie RSJ 10 december 2020, R-20/6382/GA). Daarbij is de beroepscommissie van oordeel dat de omstandigheid dat een drugshond is aangeslagen op de gevonden substantie, zo daarvan al sprake is geweest, in dit geval onvoldoende is om onomstotelijk de conclusie te kunnen trekken dat de substantie harddrugs betreft (vergelijk RSJ 12 januari 2023, 21/20158/GA).

Daarnaast volgt uit het schriftelijk verslag dat de aangetroffen substantie wel is verzonden naar het laboratorium om nader te bepalen om welke type harddrugs het gaat. De uitslag van deze test is echter niet overgelegd door de directeur, die in deze procedure geen toelichting nodig heeft gevonden. Hoewel pas twee dagen na het opstellen van het schriftelijk verslag de disciplinaire straf is opgelegd, blijft het onduidelijk of dit verband houdt met het nadere onderzoek in het laboratorium. Uit de schriftelijke mededeling van de disciplinaire straf volgt enkel, net zoals uit het schriftelijk verslag, dat er een hoeveelheid van 0.4 gram harddrugs zou zijn aangetroffen (zonder nadere specificatie). Gegeven deze omstandigheden is de beroepscommissie van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de gevonden substantie daadwerkelijk harddrugs bevat.

Gelet hierop en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag a. alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze vaststellen op €70,-.

 

Beklag b.

Klager heeft naar aanleiding van het (ontoelaatbare) gedrag dat aanleiding gaf tot oplegging van de hier onder beklag a. aan de orde zijnde disciplinaire straf, een beslissing tot niet promoveren gekregen op 20 februari 2024. Nu het beklag tegen deze strafoplegging gegrond zal worden verklaard, is de grondslag voor de beslissing tot niet promoveren komen te vervallen. Gelet hierop zal de beroepscommissie het beroep ook in zoverre gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en beklag b. voor wat betreft de beslissing tot niet promoveren alsnog gegrond verklaren. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen, aangezien klager wegens de degradatiebeslissing van 19 februari 2024 al in het basisprogramma verbleef voor de duur van zes weken.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €70,-.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent klager geen tegemoetkoming toe.

 

Deze uitspraak is op 3 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. S.M. Krans, voorzitter, mr. dr. R.S.T. Gaarthuis en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.

 

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven