Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/41685/GA en 24/43300/GA, 3 oktober 2025, beroep
Uitspraakdatum:03-10-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           24/41685/GA en 24/43300/GA

Betreft klager

Datum  3 oktober 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op de beroepen van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

  1. een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege een positieve uitslag op zijn urinecontrole, ingaande op 30 april 2024 (IJ-2024-500);
  2. de beslissing van 30 april 2024 dat klager gedurende een periode van zes weken niet in aanmerking komt voor promotie naar het plusprogramma (IJ-2024-501);
  3. het niet verlenen van toegang tot de inrichting van drie personen die zijn gescreend in het kader van aan klager opgelegde maatregelen vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (IJ-2024-599);
  4. de weigering van het bezoek en telefonisch contact met drie personen, voor de duur van drie maanden, ingaande op 23 mei 2024 (IJ-2024-656);

 

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel heeft op 1 juli 2024 beklag a. ongegrond verklaard. De beklagcommissie bij de PI Krimpen aan den IJssel heeft op 12 september 2024 de klachten b., c. en d. ongegrond verklaard. De uitspraken van de beklagrechter en de beklagcommissie zijn bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. S. Schilder, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraken.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Krimpen aan den IJssel in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De beoordeling

Voor zover klagers raadsvrouw in beroep heeft aangevoerd dat de beklagrechter in de zaak met kenmerk IJ-2024-500 procedurefouten heeft gemaakt, merkt de beroepscommissie op dat eventuele procedurefouten van de beklagrechter voor de behandeling van het beroep niet relevant zijn, omdat het beklag in beroep opnieuw wordt beoordeeld. De beroepscommissie gaat hieraan daarom voorbij. Dit geldt ook voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat klager ten onrechte niet is gehoord in de beklagprocedure.

 

Beklag a.

Op grond van artikel 51, eerste lid, in verbinding met artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), kan de directeur een disciplinaire straf opleggen van opsluiting in een strafcel dan wel een andere verblijfsruimte voor ten hoogste twee weken, indien een gedetineerde betrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in de inrichting of met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.

Uit de stukken volgt dat op 22 maart 2024 een joint in klagers cel is gevonden waarvoor hij diezelfde dag disciplinair is bestraft. Uit de stukken kan de beroepscommissie niet opmaken dat er toen een urinecontrole bij klager is uitgevoerd. Enige tijd later, op 14 april 2024, is er wel een urinecontrole bij klager uitgevoerd, waarvan de uitslag positief was op THC (met een waarde van 68 ng/ml). De uitslagen van het daarna uitgevoerde herhalings- en bevestigingsonderzoek waren ook positief op THC (met een waarde van respectievelijk 66 ng/ml en 36 ng/ml). Voor de positieve uitslag van zijn urinecontrole is klager op 30 april 2024 bestraft met de onder a. genoemde disciplinaire straf. In de beslissing is vermeld dat de disciplinaire straf van 22 maart 2024 is opgelegd wegens het bezit van contrabande – aangetroffen in klagers cel – en dat de bestreden straf van 30 april 2024 aan klager is opgelegd voor het gebruik van cannabis.

Ne bis in idem-beginsel

Klager stelt dat hij op 22 maart 2024 al is bestraft voor het bezit van ‘een gerookte joint’ en dat hij nu dubbel wordt bestraft met de disciplinaire straf van 30 april 2024 vanwege blowen (de beroepscommissie begrijpt dat klager hiermee doelt op het blowen van de eerder in zijn cel aangetroffen ‘gerookte joint’). Op basis van de stukken is voor de beroepscommissie niet duidelijk of de joint die op 22 maart 2024 in klagers cel is aangetroffen al (deels) was opgerookt, zoals namens klager is aangevoerd.

Klager is na de vondst van de joint bestraft voor het bezit van contrabande. Vervolgens werd op 29 april 2024 naar aanleiding van een urinecontrole en het daarna uitgevoerde herhalings- en bevestigingsonderzoek vastgesteld dat klager THC had gebruikt, waarvoor hij met de onder beklag a. genoemde straf is bestraft. In zoverre is naar het oordeel van de beroepscommissie dan ook sprake van bestraffing voor twee verschillende feiten, namelijk het bezit van drugs (op 22 maart 2024) en het gebruik van drugs (naar aanleiding van de urinecontrole van 14 april 2024 en de daaropvolgende herhalings-/bevestigingsonderzoeken), zodat – anders dan namens klager is aangevoerd – geen sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Omdat klager op 22 maart 2024 dus niet is gestraft voor gebruik van drugs, kan de vraag of op 14 april 2024 sprake was van bijgebruik daarvan, in het midden blijven.

 

Cumulatie van straffen

De strafoplegging van (in totaal) elf dagen voor de feiten van 22 maart 2024 en 14 april 2024 is, gelet hierop, niet in strijd met de wet. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de opgelegde disciplinaire straf voor het gebruik van cannabis, boven op de eerder opgelegde disciplinaire straf voor het aantreffen van een (naar de stelling van klager: deels opgerookte) joint, redelijk en billijk is (vergelijk RSJ 17 april 2025, 24/38593/GA). De beroepscommissie heeft in dit verband acht geslagen op de Memorie van Toelichting bij de Pbw. Hieruit volgt dat de wetgever bij cumulatie van straffen heeft beoogd de strafoplegging door de directeur in haar geheel te laten beoordelen op de ingrijpendheid hiervan voor de gedetineerde in relatie tot de ernst van het disciplinaire vergrijp (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 68-69).

In dit geval is aan klager zes dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie opgelegd vanwege het aantreffen van een (deels opgerookte) joint en vijf dagen opsluiting in eigen cel zonder televisie vanwege een positieve urinecontrole. Omdat op basis van de stukken niet kan worden weerlegd dat de positieve urinecontrole van 14 april 2024 het gevolg is geweest van het gebruik van de (kennelijk deels) opgerookte joint van 22 maart 2024, gaat de beroepscommissie ervan uit dat klagers stellingen hierover juist zijn en dat de beide vergrijpen dus, hoewel verschillend, nauw met elkaar in verband staan. Tegen deze achtergrond moet de beslissing van de directeur om klager op 30 april 2024 óók nog een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in eigen cel op te leggen, naar het oordeel van de beroepscommissie als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal in zoverre gegrond worden verklaard.

Vervallen extra belminuten

In de beslissing is, behalve de verweten gedraging, ook opgenomen dat klager eerder was gewaarschuwd dat zijn extra belminuten bij een volgende sanctie zouden komen te vervallen en dat de belminuten met de oplegging van de disciplinaire straf van 30 april 2024 zijn komen te vervallen. De beroepscommissie begrijpt deze passage zo dat de extra belminuten die klager eerder waren toegekend, zijn afgenomen naar aanleiding van (en als onderdeel van) de disciplinaire straf die hem op 30 april 2024 is opgelegd.

Artikel 51, eerste lid, van de Pbw kent een limitatieve opsomming van mogelijk op te leggen straffen. Het ontnemen van (extra) belminuten behoort niet tot een van de mogelijke straffen. Gelet daarop is de bestreden disciplinaire straf naar het oordeel van de beroepscommissie in zoverre in strijd met de wet opgelegd.

 

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep inzake a. gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze – mede gelet op de standaardbedragen van de beroepscommissie – vaststellen op €57,50.

 

Beklag b.

Op grond van artikel 1d, vijfde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) volgt altijd een besluit tot degradatie indien een gedetineerde ontoelaatbaar gedrag zoals beschreven in bijlage 1 en bijlage 2 laat zien. Uit de op klager van toepassing zijnde bijlage 1 volgt dat drugsgebruik is aangemerkt als ontoelaatbaar gedrag dat tot directe degradatie leidt.

Uit de stukken volgt dat de beslissing van 30 april 2024 tot klagers uitsluiting van promotie voor zes weken is genomen vanwege de positieve uitslag van de urinecontrole die aan de orde is in de beoordeling van beklag a. Voor die positieve uitslag is klager de onder beklag a. genoemde disciplinaire straf opgelegd. Nu het beroep inzake beklag a. gegrond wordt verklaard, vervalt de (enige) gedraging die ten grondslag ligt aan de beslissing tot uitsluiting van promotie. De beroepscommissie is niet gebleken van ander ‘ontoelaatbaar’ gedrag dat ten grondslag is gelegd aan deze beslissing, zodat niet is gebleken van gedrag als bedoeld in artikel 1d, vijfde lid, van de Regeling.

Reeds vanwege het voorgaande zal het beroep inzake beklag b. gegrond worden verklaard. De vraag of al dan niet sprake is van cumulatie van beslissingen – nu de bestreden beslissing is genomen op 30 april 2024, terwijl klager op grond van een eerdere beslissing vanaf 3 mei 2024 weer in aanmerking kwam voor promotie –, zoals namens hem is aangevoerd, zal de beroepscommissie om die reden onbeantwoord laten. De beroepscommissie zal de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. De beroepscommissie zal aan klager conform de standaardbedragen een tegemoetkoming toekennen van €45,-.

 

Beklag c. en d.

De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagcommissie beklag c. en d. terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet in dit geval geen aanleiding om de overwegingen van de beklagcommissie aan te vullen of te wijzigen.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. en b. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart deze klachten alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van respectievelijk €57,50 en €45,-. De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag c. en d. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.

 

Deze uitspraak is op 3 oktober 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. dr. R.S.T. Gaarthuis, leden, bijgestaan door mr. L. van der Linden, secretaris.

 

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven