Nummer 24/41929/GA
Betreft [klager]
Datum 20 augustus 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
[klager] (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft beklag ingesteld tegen:
- een voorwaardelijke disciplinaire straf van vier dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege het niet opvolgen van instructies van het personeel tijdens een ‘speciaal’ (extra) bezoekmoment op 10 oktober 2023, ingaande op 11 oktober 2023 (NM-2023-1121);
- de beslissing om hem in een meerpersoonscel (MPC) te plaatsen (NM-2023-1122);
- de beslissing om zijn ‘speciale’ (extra) bezoekmomenten stop te zetten, waardoor zijn bezoekster op 13 oktober 2023 niet werd toegelaten tot de inrichting (NM-2023-1123).
De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwegein heeft op 2 juli 2024 het beklag ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Nieuwegein (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
Aangezien de uitspraak van de beklagrechter op 8 juli 2024 naar klager en de directeur is verzonden en het beroepschrift is ingediend op 16 juli 2024, heeft klager – anders dan de directeur betoogt – binnen de wettelijke termijn beroep ingesteld.
Procesafspraken met het Openbaar Ministerie (OM)
In het dossier komt het volgende naar voren. Het OM heeft met klager in december 2022 een overeenkomst gesloten over procesafspraken in zijn strafzaak. Met klager is een schikking getroffen over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij dient in dat kader voor medio november 2024 een bedrag van €2,25 miljoen te betalen. Onderdeel van de procesafspraken is dat het OM zal bevorderen dat klager de praktische mogelijkheden krijgt om het aan de Staat verschuldigde bedrag te kunnen betalen. Als daarvoor extra ‘bezoek zonder toezicht (BZT)-momenten’ nodig zijn of plaatsing op een enkelcel, dan zal het OM dienaangaande positief adviseren.
Op 15 december 2022 heeft het OM richting klagers (toenmalige) advocaat bevestigd dat klager voorlopig niet geplaatst kan worden in een dubbelcel/meermanscel.
Op verzoek van klagers raadsman heeft het OM op 15 maart 2024 bevestigd dat de procesafspraken nog steeds gelden (dus ook ten tijde van het beklag). Het OM vermoedt dat “het verblijf in een enkelcel en extra BZT er de afgelopen periode aan heeft bijgedragen dat [klager] in staat was om te organiseren dat al een bedrag van 1 miljoen euro kon worden betaald aan de Staat. Het OM is van mening dat er goede argumenten zijn om hem niet in een meermanscel te plaatsen en hem extra BZT momenten toe te staan om zodoende op een veilige en verantwoorde manier de betaling van het restantbedrag te regelen”.
De beslissingen van de directeur
De directeur heeft op verzoek van het OM en ten behoeve van de genoemde betalingsverplichting aan klager ‘speciale’ (extra) bezoekmomenten toegekend in de spreekkamer/ familiekamer (niet zijnde BZT). Met de beklagrechter stelt de beroepscommissie voorop dat de directeur niet gehouden is uitvoering te geven aan procesafspraken die in het kader van een strafrechtelijke procedure tussen een gedetineerde en het OM zijn gemaakt. Wel dient de directeur eventuele procesafspraken mee te wegen in zijn beslissing(en). Uit het schriftelijk verslag, dat ten grondslag ligt aan de opgelegde disciplinaire straf, volgt dat klager zich niet heeft gehouden aan de (reguliere) bezoekregels. Het personeel heeft geconstateerd dat klager onzedelijke handelingen heeft verricht met zijn bezoekster. Dit is in strijd met de orde en de veiligheid in de inrichting. Met de beklagrechter is de beroepscommissie dan ook van oordeel dat aan klager in redelijkheid een disciplinaire straf kon worden opgelegd (beklag a).
In het belang van de orde en de veiligheid in de inrichting is het evenmin onredelijk en onbillijk dat de directeur heeft beslist om de ‘speciale’ (extra) bezoekmomenten stop te zetten, naar aanleiding van het bovengenoemde incident (beklag c). Overigens geeft de directeur te kennen dat met klager op 28 maart 2024 een nieuwe bezoekregeling is getroffen, kennelijk met aangescherpte voorwaarden.
Klager is daarnaast (tijdelijk) in een MPC geplaatst. Klager stelt dat deze beslissing in strijd is met de genoemde procesafspraken en dat het in een MPC aanwezig hebben van gegevens over de genoemde procesafspraken of het hebben van telefonisch contact in aanwezigheid van een celgenoot onwenselijk is en hem in gevaar kan brengen. De directeur heeft (desondanks)
– aan de hand van wegingsfactoren van artikel 11a van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden – geconcludeerd dat klager geschikt is om in een MPC te worden geplaatst. Klager stelt ook dat er medische redenen zijn waarom hij niet in een MPC kan verblijven. De medische dienst heeft echter geen contra-indicatie afgegeven. De beroepscommissie is gelet op het voorgaande net als de beklagrechter van oordeel dat ook de beslissing van de directeur om klager in een MPC te plaatsen niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt (beklag b).
Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagrechter het beklag terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter.
Deze uitspraak is op 20 augustus 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. F. Sieders, voorzitter, mr. R.H. Koning en mr. B. van der Werf, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.
secretaris voorzitter