Nummer 25/46746/GA
Betreft klager
Datum 19 september 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van
klager (hierna: klager)
1. De procedure
Klager heeft – zo begrijpt de beroepscommissie – beklag ingesteld tegen:
-
de omstandigheid dat hij op 28 oktober 2024 niet vijftien minuten heeft kunnen bellen met gescreende en goedgekeurde contacten;
-
de omstandigheid dat de belminuten worden geteld vanaf het moment dat de telefoon wordt ingeschakeld in plaats van het moment dat er een telefonische verbinding tot stand wordt gebracht;
-
de beslissing van 28 oktober 2024 dat klager de aan hem toegekende dagelijkse belminuten in het vervolg aaneengesloten dient te gebruiken.
De beklagcommissie bij het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) Scheveningen heeft op 3 februari 2025 het beklag ongegrond verklaard (SC 2024 / 312 en 319). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.
Klagers raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van het JCvSZ Scheveningen (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De standpunten in beroep
Standpunt van klager
Het is klager toegestaan om vijftien minuten per dag met gescreende en goedgekeurde contacten te bellen. Tijdens zijn verblijf in het JCvSZ heeft klager echter niet alle dagen vijftien minuten kunnen bellen. Op 28 oktober 2024 had klager nog maar 10 minuten en 88 seconden gebeld toen de telefoon werd uitgeschakeld door een medewerker. Daarnaast werden de belminuten geteld vanaf het moment dat de telefoon werd ingeschakeld en niet vanaf het moment dat er daadwerkelijk een telefonische verbinding tot stand was gebracht. Tot slot betwist klager dat hem op enig moment, al dan niet schriftelijk, is medegedeeld dat hij de vijftien minuten aaneengesloten diende te gebruiken in plaats van verspreid over de dag en verspreid over verschillende contacten.
Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.
Standpunt van de directeur
De directeur persisteert bij het in beklag ingenomen standpunt.
3. De beoordeling
Algemene overwegingen
Het is de beroepscommissie ambtshalve uit een ander beroep van klager bekend dat de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard op 13 juni 2024 een aantal maatregelen aan klager heeft opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM). Eén van deze maatregelen houdt in dat telefoongesprekken worden opgenomen, afgeluisterd en - indien nodig - vertaald. Klager wordt dagelijks in de gelegenheid gesteld tot het voeren van een of meer telefoongesprekken met gescreende en goedgekeurde contacten waarbij de duur is vastgesteld op maximaal vijftien minuten per dag.
Klager is op 21 oktober 2024 overgebracht naar het ziekenhuis, aansluitend naar het JCvSZ Scheveningen en op 29 oktober 2024 naar de PI Sittard. De beroepscommissie heeft in RSJ 3 februari 2023, 22/26660/GA, geoordeeld dat de (nieuwe) directeur na overplaatsing van een gedetineerde die op de GVM-lijst staat een eigen belangenafweging dient te maken met betrekking tot de noodzaak van de eventueel op te leggen toezichtmaatregelen. De beroepscommissie ziet zich gelet op voorgaande uitspraak dan ook voor de vraag gesteld of de in de PI Sittard aan klager opgelegde toezichtmaatregelen onverkort van toepassing waren tijdens klagers verblijf in het JCvSZ of dat de directeur van het JCvSZ een eigen belangenafweging had moeten maken met betrekking tot de noodzaak van de eventueel op te leggen toezichtmaatregelen. De beroepscommissie overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 32, derde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) in verbinding met artikel 19, onder a, van de Regeling blijft een gedetineerde bij overbrenging naar het Justitieel Medisch Centrum (lees: het JcvSZ) administratief ingeschreven in de inrichting van herkomst wanneer deze een medische behandeling behoeft waarvoor opname in een ziekenhuis geïndiceerd is, zo ook in klagers geval. Van een formele overplaatsing is in de onderhavige zaak dan ook geen sprake geweest. De (voorzienbare) korte duur van de overbrenging van klager naar het JCvSZ maakt dat de directeur van het JCvSZ in dit specifieke geval geen eigen belangenafweging hoefde te maken met betrekking tot de noodzaak van de eventueel op te leggen toezichtmaatregelen (vergelijk RSJ 19 september 2025, 24/44648/GA). De toezichtmaatregelen die op 13 juni 2024 door de directeur van de PI Sittard aan klager zijn opgelegd waren dan ook onverkort van toepassing tijdens klagers verblijf in het JCvSZ, zo ook de maatregel dat klager dagelijks maximaal vijftien minuten mag bellen met gescreende en goedgekeurde contacten.
Beklag a en b
Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan een gedetineerde beklag instellen tegen een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Ook kan worden geklaagd over de wijze waarop een beslissing wordt uitgevoerd (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76-77). De wijze van uitvoering dient dan wel nauw samen te hangen met die beslissing. Naar het oordeel van de beroepscommissie is daarvan in dit geval sprake. Klager is daarom in zoverre terecht ontvangen in zijn beklag.
De beroepscommissie heeft geen reden om te twijfelen aan de inlichtingen van de directeur in reactie op de klacht van klager, inhoudende dat klager iedere dag in de gelegenheid is gesteld om vijftien minuten verspreid over de dag te kunnen bellen. Dat de belminuten, zoals klager stelt, worden geteld vanaf het moment dat de telefoon wordt ingeschakeld in plaats van het moment dat er een telefonische verbinding tot stand wordt gebracht, is niet aannemelijk geworden, mede gelet op de duur van de geregistreerde telefoongesprekken van klager. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie bevestigen met wijziging van de gronden.
Beklag c
De directeur heeft op 28 oktober 2024 aan klager medegedeeld dat hij de aan hem toegekende dagelijkse belminuten in het vervolg aaneengesloten dient te gebruiken. De beroepscommissie merkt deze mededeling aan als een beslissing als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw, waarin de eerder aan klager opgelegde maatregel is aangescherpt. Uit het klaagschrift blijkt dat klager heeft bedoeld ook tegen dit beklagonderdeel beklag in te stellen. De beklagcommissie heeft hier niet op beslist. De beroepscommissie zal dit beklag zelf alsnog inhoudelijk beoordelen.
De directeur heeft ter toelichting op deze beslissing aangegeven dat klager zich aantoonbaar niet heeft gehouden aan de aan hem toegekende dagelijkse belminuten per dag. Op advies van het Bureau Inlichtingen en Veiligheid heeft de directeur vervolgens besloten dat klager de aan hem toegekende belminuten in het vervolg aaneengesloten dient te gebruiken. Uit het door de directeur overgelegde overzicht van de door klager gevoerde telefoongesprekken volgt dat klager op drie achtereenvolgende dagen, te weten 24 tot en met 26 oktober 2024, zijn toegekende belminuten met in totaal 8 minuten en 40 seconden heeft overschreden.
Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren.
4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt wat betreft beklag a en b de uitspraak van de beklagcommissie met wijziging van de gronden.
Zij verklaart het beklag wat betreft onderdeel c ongegrond.
Deze uitspraak is op 19 september 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit
mr. S.M. Krans, voorzitter, mr. dr. R.S.T. Gaarthuis en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris.
secretaris voorzitter