Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/44648/GA, 19 september 2025, beroep
Uitspraakdatum:19-09-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           24/44648/GA

Betreft klager

Datum  19 september 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de beslissing van de directeur van 14 oktober 2024, inhoudende het handhaven van de beperkingen op het contact tussen klager en zijn dochter gedurende klagers verblijf in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) Scheveningen (voorheen het Justitieel Medisch Centrum). De betreffende beperkingen zijn aan klager opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM).

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard heeft op 13 november 2024 klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag (G-2024-907). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Sittard (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager stelt zich op het standpunt dat de beslissing van 14 oktober 2024 wel degelijk een beslissing betreft als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). De beklagrechter heeft klager derhalve onterecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag.

Inhoudelijk voert klager aan dat hij slechts zeer beperkt en onder zeer strenge voorwaarden contact heeft kunnen onderhouden met zijn dochter ten tijde van zijn verblijf in het JCvSZ, terwijl hij net een zware operatie had ondergaan. De directeur heeft onvoldoende onderzocht en onvoldoende gemotiveerd of er ook minder vergaande maatregelen beschikbaar waren. De enkele reden van de beperkingen zou erin zijn gelegen dat uit informatie van het Team Criminele Inlichtingen zou zijn gebleken dat klager vanuit detentie samen met zijn dochter de criminele organisatie zou voortzetten. Er is echter helemaal geen sprake van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie.

Door de handhaving van de betreffende beperkingen is een ongeoorloofde inbreuk gemaakt op klagers recht op eerbiediging van zijn gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Klager verzoekt om het beroep mondeling te mogen toelichten en om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Standpunt van de directeur

De directeur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het beroep te reageren.

 

3. De beoordeling

Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

 

Ontvankelijkheid

De beroepscommissie is – anders dan de beklagcommissie – van oordeel dat het handhaven van de beperkingen op het contact tussen klager en zijn dochter gedurende klagers verblijf in het JCvSZ Scheveningen, zoals vastgelegd in de aan klager gerichte memo bel- en bezoekregelingen van 14 oktober 2024, een beslissing betreft als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Pbw.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en klager alsnog ontvankelijk verklaren in het beklag. De beroepscommissie zal het beklag als eerste en enige instantie inhoudelijk beoordelen.

 

Bevoegdheid directeur

De beperkingen op het contact tussen klager en zijn dochter zijn een uitvloeisel van de aan klager opgelegde toezichtmaatregelen vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM). Klager is op 21 oktober 2024 overgebracht naar het ziekenhuis, aansluitend naar het JCvSZ Scheveningen en op 29 oktober 2024 naar de PI Sittard. De beroepscommissie heeft in RSJ 3 februari 2023, 22/26660/GA, geoordeeld dat de (nieuwe) directeur na overplaatsing van een gedetineerde die op de GVM-lijst staat een eigen belangenafweging dient te maken met betrekking tot de noodzaak van de eventueel op te leggen toezichtmaatregelen. De beroepscommissie ziet zich gelet op voorgaande uitspraak voor de vraag gesteld of de directeur van de PI Sittard in de onderhavige zaak bevoegd was de betreffende beperkingen in het contact tussen klager en zijn dochter te handhaven tijdens klagers verblijf in het JCvSZ. De beroepscommissie beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 32, derde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) in verbinding met artikel 19, onder a, van de Regeling blijft een gedetineerde bij overbrenging naar het Justitieel Medisch Centrum (lees: het JcvSZ) administratief ingeschreven in de inrichting van herkomst wanneer deze een medische behandeling behoeft waarvoor opname in een ziekenhuis geïndiceerd is, zo ook in klagers geval. Van een formele overplaatsing is in de onderhavige zaak dan ook geen sprake geweest. De (voorzienbare) korte duur van de overbrenging van klager naar het JCvSZ maakt dat de directeur van het JCvSZ in dit specifieke geval geen eigen belangenafweging behoefde te maken met betrekking tot de noodzaak van de eventueel op te leggen toezichtmaatregelen.

 

Inhoudelijke beoordeling van het beklag

Het is de beroepscommissie gebleken dat het klager vanaf 28 augustus 2024 toegestaan is om eens per week met zijn dochter te bellen en eens per vier weken bezoek van haar te ontvangen. De directeur heeft met zijn beslissing van 14 oktober 2024 deze regeling gehandhaafd gedurende klagers verblijf in het JCvSZ, omdat de directeur zelf de regie wilde houden op de vrijheden die ten aanzien van klager toegekend of uitgebreid worden. Verder is de beroepscommissie van oordeel dat de bestreden beslissing geen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Nu aan klager in het kader van zijn GVM-status maatregelen zijn opgelegd om het contact met buitenwereld te monitoren, kan de bestreden beslissing – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en in de hier gegeven omstandigheden – niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beklag daarom ongegrond verklaren.

 

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagrechter, verklaart klager alsnog ontvankelijk in zijn beklag, maar verklaart dit beklag ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 19 september 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. S.M. Krans, voorzitter, mr. dr. R.S.T. Gaarthuis en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris.

 

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven