Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/44532/GA, 19 september 2025, beroep
Uitspraakdatum:19-09-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           24/44532/GA

Betreft klager

Datum  19 september 2025

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen – zo begrijpt de beroepscommissie – de voorwaarden die aan de belregeling met zijn dochter zijn verbonden, zoals vastgelegd in de memo van 27 september 2024.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard heeft op 31 oktober 2024 het beklag ongegrond verklaard (G-2024-832). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Sittard (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager mocht vanaf 28 augustus 2024 – na een algeheel contactverbod – weer contact hebben met zijn dochter, bestaande uit vijftien minuten per week telefonisch contact en eens per vier weken fysiek bezoek onder direct toezicht. Vervolgens is op 27 september 2024 een memo aan klager uitgereikt waarin een aantal voorwaarden aan de belregeling met zijn dochter is verbonden. Deze voorwaarden golden eerder niet. De betreffende voorwaarden zijn niet noodzakelijk en niet proportioneel.

Door de handhaving van de betreffende voorwaarden is een ongeoorloofde inbreuk gemaakt op klagers recht op eerbiediging van zijn gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Klager verzoekt om het beroep mondeling te mogen toelichten en om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

 

Standpunt van de directeur

De directeur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het beroep te reageren.

 

3. De beoordeling

Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. Dit verzoek is niet onderbouwd, terwijl de stukken voldoende informatie bevatten om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie wijst het verzoek daarom af.

De beroepscommissie stelt allereerst vast dat het beklag enkel ziet op de voorwaarden die aan de belregeling met klagers dochter zijn verbonden, zoals vastgelegd in de memo van 27 september 2024. De voorwaarden luiden – kort en zakelijk weergegeven – als volgt:

  • Er wordt niet gesproken over medegedetineerden en/of hun strafzaken;
  • Er wordt niet gesproken over strafzaken waarbij klager en/of zijn dochter betrokken

   is/zijn;

  • Er wordt niet gesproken over personeel van de inrichting;
  • Er wordt transparant gesproken. Als er over personen wordt gesproken dan worden zij

   bij naam genoemd. Er wordt geen gebruikgemaakt van zogenoemde nicknames.

  • Er wordt niet gesproken over de aan klager opgelegde GVM-maatregelen.

 

Het is de beroepscommissie – anders dan de beklagcommissie – niet gebleken dat voornoemde voorwaarden eerder aan klager kenbaar zijn gemaakt. De beroepscommissie merkt de memo van 27 september 2024 dan ook aan als een nieuwe beslissing waarin de belregeling met klagers dochter is aangescherpt c.q. verduidelijkt door het stellen van deze voorwaarden.

Artikel 39, eerste lid, van de Penitentiaire beginselwet (Pbw) kent de gedetineerde het recht toe om telefoongesprekken te voeren met personen buiten de inrichting. Op grond van artikel 39, derde lid, van de Pbw kan de directeur de gelegenheid tot het voeren van een bepaald telefoongesprek weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Pbw.

De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat het onder voorwaarden toestaan van een belregeling valt binnen de genoemde (wettelijke) regels, mits die voorwaarden niet strijdig zijn met wetgeving of verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten, nu de directeur op grond van de in artikel 36, vierde lid, van de Pbw genoemde belangen een dergelijke belregeling ook kan weigeren (vergelijk RSJ 7 februari 2025, 24/40103/GA).

Verder is de beroepscommissie van oordeel dat de bestreden beslissing geen schending oplevert van wetgeving of verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten, in het bijzonder artikel 8 van het EVRM. Nu aan klager in het kader van zijn GVM-status maatregelen zijn opgelegd om zijn contact met de buitenwereld te monitoren, kan de bestreden beslissing – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en in de hier gegeven omstandigheden – niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt.

De beroepscommissie zal het beroep dan ook ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie bevestigen met aanvulling van de gronden.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 19 september 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. S.M. Krans, voorzitter, mr. dr. R.S.T. Gaarthuis en mr. L.C.P. Goossens, leden, bijgestaan door mr. I.J.M.W. van der Sanden, secretaris.

 

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven