Nummer 24/39183/GA
Betreft [klager]
Datum 5 september 2025
Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Scheveningen (hierna: de directeur)
1. De procedure
[klager] (hierna: klager) heeft – voor zover in beroep aan de orde – beklag ingesteld tegen de weigering om deel te mogen nemen aan het vrijdagmiddaggebed tijdens zijn verblijf op de crisisafdeling van het PPC Scheveningen van – zo begrijpt de beroepscommissie – 15 november 2023 tot en met 18 december 2023.
De beklagrechter bij het PPC Scheveningen heeft op 1 februari 2024 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €45,- (SC 2023/428). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.
De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
De beroepscommissie heeft de directeur en klager in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.
2. De beoordeling
Klager is op 15 november 2023 op de crisisafdeling van het PPC Scheveningen geplaatst. Volgens klager werd hem geweigerd om deel te nemen aan het vrijdagmiddaggebed tijdens zijn verblijf op deze crisisafdeling van 15 november 2023 tot en met 18 december 2023. Het PPC Scheveningen is aangewezen als een inrichting met een individueel regime. Gelet op het individuele regime bepaalt de directeur de mate waarin een gedetineerde in staat wordt gesteld individueel dan wel gemeenschappelijk aan activiteiten deel te nemen (artikel 21 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw)).
Uit de inlichtingen van de directeur komt naar voren dat gedetineerden die verblijven op de crisisafdeling niet aan het vrijdagmiddaggebed van 13:00 tot 14:00 uur mogen deelnemen, in tegenstelling tot de gedetineerden die op de niet‑crisisafdeling verblijven en dat wel mogen. De reden hiervoor is dat gedetineerden van de crisis- en de niet-crisisafdelingen in het belang van de orde en veiligheid niet worden gemengd.
Gelet hierop overweegt de beroepscommissie – anders dan de beklagrechter – dat geen sprake is van een ordemaatregel van uitsluiting van deelname aan een of meer activiteiten, maar van een algemene regel die voor alle gedetineerden van de crisisafdeling geldt (vergelijk RSJ 18 maart 2024, 23/33613/GA). De weigering om deel te mogen nemen aan het vrijdagmiddaggebed betreft dan ook de toepassing van een algemene regel. Daartegen staat geen beklag open, tenzij sprake is van strijd met hogere wet- of regelgeving. De beroepscommissie oordeelt daarover als volgt.
Uit de stukken valt af te leiden dat klager is geweigerd om deel te nemen aan een gemeenschappelijke religieuze bijeenkomst, namelijk het vrijdagmiddaggebed. Klager kan volgens de directeur wel verzoeken om een individueel bezoek van de imam, zodat hij op die manier (elke) vrijdagochtend zijn geloof kan belijden. Zo heeft de imam klager op 19 november 2023 en 18 december 2023 bezocht. De beroepscommissie begrijpt dat het vrijdagmiddaggebed tijdsgebonden is, waardoor het niet mogelijk is om op verschillende tijdsstippen het vrijdagmiddaggebed plaats te laten vinden (zoals wel mogelijk is voor bijvoorbeeld een kerkdienst), zodat de crisis- en niet-crisisafdeling gescheiden de religieuze bijeenkomst zouden kunnen bijwonen. Nog daargelaten of dit praktisch mogelijk is, maakt dit echter niet dat klagers recht op het vrij belijden van zijn godsdienst, individueel of in gemeenschap met anderen, zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Pbw, is geschonden. Klager krijgt de mogelijkheid om zijn geloof te belijden, zij het individueel, door middel van persoonlijk contact met de imam voor een tijdelijke periode.
De beroepscommissie overweegt daarnaast dat de onmogelijkheid voor een gedetineerde om een bepaalde religieuze bijeenkomst te bezoeken niet direct een schending van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) meebrengt zolang – kort gezegd – de gedetineerde niet in het geheel de mogelijkheid wordt ontnomen om zijn godsdienst te belijden en te beleven (zie RSJ 13 februari 2023, R-20/7558/GA).
De beroepscommissie is van oordeel dat klagers recht op het belijden en beleven van zijn godsdienst weliswaar wordt beperkt, maar dat deze beperking in dit geval noodzakelijk en proportioneel is gelet op het doel van de beperking, namelijk de orde en de veiligheid in de inrichting waaronder de crisisafdeling. Dit doel kan tevens niet op een andere manier worden bereikt (vergelijk RSJ 18 maart 2024, 23/33613/GA). Aan klager wordt de mogelijkheid geboden van een persoonlijk bezoek met de imam (voor een gebed of om een gesprek te voeren), waarmee naar het oordeel van de beroepscommissie een balans ontstaat tussen klagers belang bij het belijden en beleven van zijn godsdienst en het publieke belang bij een (praktische en financieel) redelijke tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming.
Naar het oordeel van de beroepscommissie is dan ook geen sprake van strijd met artikel 41 van de Pbw en/of artikel 9 van het EVRM. Daarom zal de beroepscommissie het beroep van de directeur gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en klager alsnog niet‑ontvankelijk in zijn beklag verklaren. Daarmee komt de grondslag voor de toegekende tegemoetkoming te vervallen.
3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt – voor zover in beroep aan de orde – de uitspraak van de beklagrechter en verklaart klager alsnog niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze uitspraak is op 5 september 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. F. Sieders, voorzitter, mr. R.H. Koning en mr. B. van der Werf, leden, bijgestaan door mr. S.J.S. Uiterweerd, secretaris.
secretaris voorzitter