Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/41549/GA, 16 juli 2025, beroep
Uitspraakdatum:16-07-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           24/41549/GA

Betreft              [klager]

Datum              16 juli 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld omdat zijn bril bij een visitatie beschadigd is geraakt.

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Grave heeft op 20 juni 2024 het beklag ongegrond verklaard (GO-2024-410). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. A.J.C.M. de Graaff, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Grave in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

Op 12 maart 2025 heeft mr. T. Deckwitz zich als klagers raadsman gesteld.

 

2. De beoordeling

Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet kan een gedetineerde beklag instellen tegen een hem betreffende door of namens de directeur genomen beslissing. Ook kan worden geklaagd over de wijze waarop een beslissing wordt uitgevoerd (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 76-77). De wijze van uitvoering dient dan wel nauw samen te hangen met die beslissing. Naar het oordeel van de beroepscommissie is daarvan in dit geval sprake; het gaat immers om het feit dat de bril van klager bij een visitatie beschadigd is geraakt. Klager kan dan ook worden ontvangen in zijn beklag (vergelijk RSJ 23 januari 2024, 22/29467/GA).

Uit de stukken komt naar voren dat klager op 2 mei 2024 is gevisiteerd naar aanleiding van een vermoedelijke overdracht van contrabande tijdens zijn bezoekmoment. Volgens klager is zijn bril, die hij aan een personeelslid moest overhandigen voor het ondergaan van de visitatie, beschadigd geraakt door toedoen van het inrichtingspersoneel. De directeur spreekt dat tegen op basis van nader onderzoek. De directeur heeft namelijk navraag gedaan bij het inrichtingspersoneel en daaruit kwam naar voren dat de bril in goede staat aan het inrichtingspersoneel is overhandigd en in dezelfde staat weer aan klager is teruggegeven. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat er geen camerabeelden (meer) beschikbaar zijn, maakt in dit geval dan ook niet dat het ervoor moet worden gehouden dat een en ander is gegaan zoals klager stelt.

Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de beklagcommissie het beklag terecht ongegrond heeft verklaard. Hierbij geldt wel dat waar de beklagcommissie heeft overwogen dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bril door toedoen van het personeel beschadigd is, de beroepscommissie daarvoor verbeterd leest dat dit niet aannemelijk is geworden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard en de uitspraak van de beklagcommissie zal worden bevestigd, met wijziging van de gronden.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie, met wijziging van de gronden.

Deze uitspraak is op 16 juli 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, mr. A.B. Baumgarten en mr. dr. R.S.T. Gaarthuis, leden, bijgestaan door mr. R.A.J. van de Kamp, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven