Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 25/48336/SGB, 16 mei 2025, schorsing
Uitspraakdatum:16-05-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer    25/48336/SGB

Betreft       verzoeker

Datum      16 mei 2025

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van verzoeker (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: verweerder) heeft op 12 mei 2025 beslist verzoeker te plaatsen in de gevangenis van de Penitentiaire Inrichtingen Lelystad.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar ingesteld.

Verzoekers raadsvrouw, mr. S.G.H. van de Kamp, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van verweerder op het schorsingsverzoek en van het bezwaarschrift.

 

2. De beoordeling

Ontvankelijkheid

Gelet op artikel 73, vierde lid, in verbinding met artikel 66, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), kan in beginsel pas om schorsing worden verzocht in de beroepsprocedure (dus nadat verweerder het bezwaarschrift ongegrond heeft verklaard en verzoeker tegen die ongegrondverklaring beroep heeft ingesteld). Daarop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als de beslissing van verweerder meer dan zes weken op zich laat wachten (artikel 17, vierde lid, van de Pbw) of als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

Verweerder heeft het bezwaarschrift op 13 mei 2025 ontvangen. Dat is minder dan zes weken geleden. Namens verzoeker is echter aangevoerd dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, nu de einddatum van verzoekers detentie is bepaald op 4 juli 2025. Gelet op de beslistermijn van verweerder van zes weken en de huidige doorlooptijden van de behandeling van een bezwaar, valt niet te verwachten dat er niet tijdig beslist zal worden op het bezwaar. Daarmee zijn eventuele rechtsmiddelen illusoir geworden.

Anders dan verweerder in de reactie op het schorsingsverzoek heeft aangevoerd, dat bovengenoemde reden niet aangemerkt kan worden als uitzonderlijke omstandigheid, is daar    naar het oordeel van de voorzitter wel sprake van, nu verzoeker - gelet op de naderende einddatum van zijn detentie over zeven weken en de beslistermijn van verweerder van zes weken - een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijk oordeel. Gelet daarop zal de voorzitter verzoeker ontvangen in zijn verzoek en zal de voorzitter het verzoek inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van verweerder slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen bezwaar is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.

Op grond van artikel 25, zevende lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) wordt een gedetineerde die tot een gevangenisstraf is veroordeeld, in beginsel in het arrondissement van vestiging geplaatst. Als in dat arrondissement geen gevangenis is aangewezen of als daar geen plaats beschikbaar is, dan wordt de gedetineerde in een aanpalend arrondissement geplaatst.

Verzoekers vestigingsadres ligt in het arrondissement Oost-Brabant. Uit de stukken blijkt dat verzoeker sinds 18 april 2025 verbleef in het arrestantenregime van de gevangenis van de PI Grave. Omdat verzoekers verblijf in het arrestantenregime de maximale duur van acht weken had overschreden, moest hij met spoed worden geplaatst in een reguliere gevangenis. Op 12 mei 2025 heeft verweerder daarom beslist om verzoeker te plaatsen in de gevangenis van de PI Lelystad (arrondissement Midden-Nederland, gelegen in een niet aanpalend arrondissement), nu daar - kennelijk - snel plek beschikbaar was.  

Nu verzoeker zo snel mogelijk uit het arrestantenregime moest worden geplaatst, is het op zichzelf begrijpelijk dat verweerder is afgeweken van artikel 25 van de Regeling. Bovendien was er op het moment van beslissen door verweerder geen inrichting van voorkeur van verzoeker bekend en beschikt de PI Grave niet over een regulier gevangenisregime. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder verzoeker in redelijkheid kunnen plaatsen in de gevangenis van de PI Lelystad. Naar het oordeel van de voorzitter is de door verzoeker gestelde bezoekproblematiek onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Gelet op het voorgaande zal de voorzitter het verzoek afwijzen.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek af.

 

Deze uitspraak is op 16 mei 2025 gedaan door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven