Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/41861/GA, 25 juni 2025, beroep
Uitspraakdatum:25-06-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Luchten  v

Nummer          24/41861/GA

Betreft [klager]

Datum 25 juni 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

  1. de insluiting in zijn cel tijdens de kerkdienst (PL2023/232);
  2. de omstandigheid dat hij niet heeft kunnen luchten op 26 juni 2023 en hij daarvoor niet is gecompenseerd (PL2023/687);
  3. de maatregelen die hem op 21 juni 2023 zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-maatregelen) (PL2023/688).

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Lelystad heeft op 4 juli 2024 klager niet-ontvankelijk verklaard in beklag a. en beklag b. en c. ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. R.F. Nelisse, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Lelystad (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Beklag a.

Er is geen algemene regel dat gedetineerden een keuze moeten maken welke godsdienstige bijeenkomst zij willen bijwonen, waarbij ‘beide’ niet is toegestaan, zoals de directeur heeft gesteld. Het moeten kiezen van één geloofsovertuiging is in strijd met artikel 6 van de Grondwet, waaraan artikel 41, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) rechtstreeks is ontleend.

Beklag b.

De beklagrechter heeft onterecht overwogen dat RSJ 1 december 2021, 21/19592/GA analoog van toepassing is, omdat de spitactie in dit geval slechts één afdeling omvatte en niet de hele inrichting. De directeur had daarom de betreffende afdeling kunnen compenseren. Het is onredelijk dat hij dit niet heeft gedaan, terwijl hij ook niet heeft aangevoerd dat dit niet mogelijk was.

Beklag c.

De beklagrechter is niet ingegaan op het standpunt dat de directeur geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, nu deze was gegrond op onjuiste stellingen dat sprake zou zijn van voortgezet crimineel handelen van klager en dat klager het gezag van directie en inrichtingspersoneel zou ondermijnen. De vraag is niet of de directeur ‘een eigen belangenafweging heeft kunnen maken’, maar of die belangenafweging zorgvuldig en redelijk was.

Standpunt van de directeur

De directeur heeft geen standpunt kenbaar gemaakt in beroep.

 

3. De beoordeling

Beklag a.

Klager heeft beklag ingesteld tegen de insluiting in zijn cel tijdens de kerkdienst. Uit de stukken is de beroepscommissie gebleken dat door een personeelstekort een wijziging heeft plaatsgevonden in de voor alle gedetineerden geldende regels. Voorheen mochten gedetineerden vrij recreëren op de afdeling als zij niet naar een godsdienstige bijeenkomst gingen. Door de wijziging in die regels worden die gedetineerden nu ingesloten. Aldus richt het beklag zich tegen een algemene regel die niet specifiek klager betreft. Van strijd met hogere wet- of regelgeving is de beroepscommissie niet gebleken. De beroepscommissie is dan ook van oordeel dat de beklagrechter klager terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk in beklag a. heeft verklaard. Voor zover klager stelt dat hij de kerkdienst niet mag bijwonen mist dit feitelijke grondslag. Niet gebleken is immers dat klager heeft verzocht aan de kerkdienst te mogen deelnemen en dat hem dit vervolgens werd geweigerd. Gelet op al het voorgaande zal het beroep in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag b.

Gemist luchtmoment

Op grond van artikel 49, eerste lid, van de Pbw heeft een gedetineerde recht op dagelijks verblijf in de buitenlucht. Uit de stukken volgt dat klager op 26 juni 2023 niet heeft kunnen luchten als gevolg van een spitactie op zijn afdeling naar een wapen dat de dag daarvoor is gebruikt tijdens een incident. Het Intern Bijstandsteam heeft zowel in de ochtend als de middag naar het wapen gezocht op de afdeling. De beroepscommissie stelt vast dat klagers recht op dagelijks verblijf in de buitenlucht daardoor werd geschonden.

Compensatie

De beroepscommissie begrijpt dat het luchtmoment op 26 juni 2023 niet kon doorgaan. Volgens de directeur is klager is niet gecompenseerd voor het gemiste luchtmoment, omdat dit niet kon worden verlangd vanwege de omvang van de spitactie en de grote groep gedetineerden die hun luchtmoment hierdoor hadden gemist. De directeur verwijst hiertoe naar RSJ 1 december 2021, 21/19592/GA, waarin de beroepscommissie heeft overwogen dat in verband met de omvang van de betreffende spitactie en de groep (van 600) gedetineerden die daardoor geen luchtmoment had in redelijkheid niet van de directeur kon worden verlangd dat deze groep op een later moment een nieuw luchtmoment of andere vorm van compensatie werd aangeboden.

De beroepscommissie overweegt dat – anders dan in voornoemde zaak – in casu niet is gebleken dat sprake was van een dusdanig grote groep gedetineerden dat van de directeur niet in redelijkheid kon worden verlangd dat hij deze groep een nieuw luchtmoment of andere vorm van compensatie aanbood. De directeur stelt dat de spitactie de gehele inrichting betrof en gevolgen had voor alle gedetineerden in de inrichting. Uit de overige stukken blijkt echter dat de spitactie slechts betrekking had op klagers (hele) afdeling en dat uitsluitend de gedetineerden van die betreffende afdeling hun luchtmoment hebben gemist. De directeur heeft niet toegelicht of, en zo ja in hoeverre, is gezocht naar mogelijkheden om de gedetineerden van klagers afdeling op een later moment een nieuw luchtmoment aan te bieden of hoe zij op een andere manier konden worden gecompenseerd voor het niet doorgaan van het luchtmoment op 26 juni 2023. De beroepscommissie concludeert dat een compensatie wel van de directeur mocht worden verwacht.  

Conclusie

Klagers recht op verblijf in de buitenlucht is op 26 juni 2023 geschonden. De beroepscommissie zal daarom het beroep inzake beklag b. gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter in zoverre vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren.

Klager is daarvoor niet gecompenseerd, terwijl dat dus naar het oordeel van de beroepscommissie in dit geval wel van de directeur kon worden verlangd. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal deze conform de standaardbedragen die zij hanteert vaststellen op €12,50.

Beklag c.

De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagrechter beklag c. terecht ongegrond heeft verklaard. Hierbij geldt dat waar de beklagrechter heeft overwogen dat klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt slechts te hebben gesproken in zijn moedertaal, de beroepscommissie daarvoor verbeterd leest dat dit niet aannemelijk is geworden. Verder is de beroepscommissie van oordeel dat de directeur een eigen belangafweging heeft gemaakt bij het nemen van de beslissing en begrijpt zij dat de beklagrechter dit ook zo heeft bedoeld te overwegen (in plaats van dat de directeur volgens de beklagrechter een belangenafweging ‘heeft kunnen maken’). Het beroep zal in zoverre ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter, met aanvulling van de gronden.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag b. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en verklaart dit beklag alsnog gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €12,50.

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag c. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter, met wijziging van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 25 juni 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M. Iedema, voorzitter, mr. R.H. Koning en mr. S.C.M. Wouda-van Velzen, leden, bijgestaan door mr. L. van der Linden, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven