Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/42203/GA, 2 april 2025, beroep
Uitspraakdatum:02-04-2025

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          24/42203/GA

Betreft  [klager]

Datum  2 april 2025

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van

[klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de maatregelen die hem op 8 mei 2024 zijn opgelegd vanwege zijn status als gedetineerde met een vlucht-/maatschappelijk risico (GVM-maatregelen).

De beklagcommissie bij de locatie Roermond heeft op 4 juli 2024, zo begrijpt de beroepscommissie, het beklag gegrond verklaard en de directeur opgedragen om klager inzage te geven in zijn penitentiair dossier en/of het rapport van het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) (R-2024-191). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de locatie Roermond, gehoord op de digitale zitting van 17 december 2024. Klager is bijgestaan door een tolk in de Franse taal. De beroepscommissie heeft op de zitting beslist dat er nadere inlichtingen nodig zijn om het beroep te kunnen beoordelen. De beroepscommissie heeft daarom de directeur verzocht om de stukken die aan de GVM-beslissing ten grondslag lagen, al dan niet met een toelichting, te verstrekken.

De directeur heeft op 20 januari 2025 een GRIP-rapport van 8 juni 2022 toegezonden. Het GRIP-rapport is gedeeld met klager en zijn raadsman, waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren. Klagers raadsman heeft op 29 januari 2025 gereageerd en die reactie is gedeeld met de directeur.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Het beklag is, anders dan waar de beklagcommissie van uit is gegaan, ook inhoudelijk gericht tegen de GVM-maatregelen van 8 mei 2024. Klager is onterecht niet gehoord voorafgaand aan de oplegging van de GVM-maatregelen. Los van de algemene opmerking “nadat ik u heb gehoord” volgt uit de schriftelijke mededeling van de beslissing niet dat het hoorgesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zo wordt niet aangegeven wanneer klager zou zijn gesproken en blijkt ook niet wat er is besproken en op welke wijze de inhoud van het horen is meegenomen in de belangenafweging. Daarnaast is de noodzaak van de GVM-maatregelen onvoldoende gemotiveerd. Wederom wordt alleen aangegeven dat klager wordt verdacht van ernstige strafbare feiten die de rechtsorde ernstig hebben geschokt en deelname aan een goed georganiseerd crimineel samenwerkingsverband. De directeur heeft een GRIP-rapport van 8 juni 2022 overgelegd, maar dat rapport was al ongeveer twee jaar oud op het moment dat de GVM-maatregelen werden opgelegd. De informatie over de stand van zaken in de strafzaak was al achterhaald, aangezien er al ruim voor de bestreden beslissing vonnis was gewezen door de rechtbank, namelijk op 3 april 2023. Voor het overige kent het GRIP-rapport weinig concrete informatie. Er is dus niet gebleken van actuele en concrete (GRIP-)informatie en niet toegelicht wordt waarom nog sprake zou zijn van een actueel risico op ontvluchting. Met het verstrijken van de tijd en het uitblijven van actuele informatie over een concreet (ver)hoog(d) risico, kan de conclusie niet anders zijn dat dat er op dit moment geen noodzaak meer is voor het opleggen van maatregelen, althans dat de uitkomst van de belangenafweging op dit moment niet meer als redelijk en billijk kan worden aangemerkt. Daarbij speelt ook een rol dat een aanzienlijk deel van de medeverdachten niet meer wordt onderworpen aan GVM-maatregelen en aan klager niet is toegelicht waarom het ten aanzien van hem wel noodzakelijk zou zijn om de GVM-maatregelen te handhaven.

Voor zover de beroepscommissie niet tot een gegrondverklaring zal komen, verzoekt klager de beroepscommissie om de directeur nader onderzoek te laten doen naar het veronderstelde hoorgesprek voorafgaand aan de beslissing tot oplegging van de GVM-maatregelen.

Klager verzoekt om aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

Standpunt van de directeur

Klagers situatie is tijdens het Operationeel Overleg (OO) besproken. Uit dat overleg bleek dat de GVM-maatregelen nog steeds noodzakelijk waren. De schriftelijke mededeling van de beslissing is vertaald en uitgereikt aan klager. Niet is gebleken dat daarbij onzorgvuldig is gehandeld. Uit het dossier blijkt dat klager is gehoord door een collega-directeur en de directeur ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

 

3. De beoordeling

Voorwaardelijk verzoek om nader onderzoek

Klager heeft voorwaardelijk verzocht om nader onderzoek te laten doen naar het hoorgesprek voorafgaand aan de oplegging van de GVM-maatregelen. Nu de beroepscommissie het beroep gegrond zal verklaren, blijft beoordeling van dit verzoek achterwege.

Beklagopvatting

De beklagcommissie heeft het beklag opgevat als te zijn gericht tegen het geen inzage verschaffen in het GRIP-rapport dat aan de GVM-maatregelen van 8 mei 2024 ten grondslag ligt en het opnemen van foutieve informatie in de Franse vertaling van de schriftelijke mededeling van de beslissing. Gelet op de inhoud van het klaagschrift en de op de beklagzitting gegeven toelichting, komt de beroepscommissie tot het oordeel dat het beklag moet worden opgevat als te zijn gericht tegen de GVM-maatregelen van 8 mei 2024.

Klager is in beroep gekomen tegen de gegrondverklaring van beklag. De beroepscommissie zal daarom de beslissing (in zijn geheel) beoordelen bij het bepalen of aan klager een tegemoetkoming dient te worden toegekend.

Inhoudelijke beoordeling

De directeur heeft een discretionaire bevoegdheid bij het opleggen van toezichtsmaatregelen aan gedetineerden die op de GVM-lijst zijn geplaatst. De directeur kan deze maatregelen opleggen als dit noodzakelijk is in verband met de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting. Bij het opleggen van toezichtsmaatregelen geldt – volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie – het volgende:

a. er moet sprake zijn van een noodzaak voor het opleggen van de onderhavige toezichtmaatregelen;

b. de directeur dient de gedetineerde voorafgaand aan de beslissing te horen;

c. de directeur dient een eigen belangenafweging te maken en kan zijn beslissing niet slechts baseren op de plaats en status van de gedetineerde op de GVM-lijst.

Het verdient de voorkeur dat bovenstaande informatie en vooral de belangenafweging van de directeur zo duidelijk en volledig mogelijk in de beslissing naar voren komen. Dat maakt de beslissing begrijpelijk en op die manier kunnen de beklag- en de beroepscommissie de beslissing toetsen. Nadere informatie of afwegingen kunnen evenwel ook nog naar voren worden gebracht in de beklag- en beroepsprocedure.

Het OO heeft klager geplaatst op de GVM-lijst met de status ‘verhoogd’, op basis van de indicatie ‘(risico op) ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf’. De directeur heeft voor de periode van 8 mei 2024 tot en met 8 november 2024 GVM-maatregelen aan klager opgelegd in verband met voornoemde indicatie.

Ter onderbouwing van de maatregelen wordt in de bestreden beslissing verwezen naar de verdenking van ernstige strafbare feiten. Volgens de directeur is klager lid van een goed georganiseerd crimineel samenwerkingsverband. Klager werd namelijk verdacht en is inmiddels veroordeeld ter zake van onder andere het medeplegen van een gewelddadige overval op een waardetransport, waarbij de verdachten waren gevlucht (zie rechtbank Amsterdam 3 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1978). Deze overval heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. De directeur heeft ter onderbouwing van de maatregelen geen andere feiten of omstandigheden genoemd dan de ernst van de feiten waarvoor klager inmiddels is veroordeeld. De informatie uit het door de directeur overgelegde GRIP-rapport van 8 juni 2022 is gedateerd en houdt niet veel meer in dan de vermelding waarvoor klager is aangehouden (de gewapende overval zoals hiervoor benoemd), de beschrijving van het (verwachte) verloop van het strafproces en het verzoek om klager niet bij zijn medeverdachten te plaatsen.

De strafbare feiten van 19 mei 2021, waarvan de ernst wat de beroepscommissie betreft op zichzelf niet ter discussie staat, leggen naar het oordeel van de beroepscommissie op zichzelf op het moment van het nemen van de beslissing niet voldoende gewicht in de schaal om de oplegging van dit omvangrijke pakket aan toezichtsmaatregelen te rechtvaardigen. De noodzaak voor het opleggen van de GVM-maatregelen is naar het oordeel van de beroepscommissie aldus onvoldoende aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet de beslissing van de directeur om op 8 mei 2024 GVM-maatregelen op te leggen als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, komt klager een tegemoetkoming toe. De beroepscommissie zal het beroep gegrond verklaren en de tegemoetkoming vaststellen op €50,-.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €50,-.

 

Deze uitspraak is op 2 april 2025 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, mr. J.T.W. van Ravenstein en drs. M.R. van Veen, leden, leden, bijgestaan door mr. R.A.J. van de Kamp, secretaris.

 

secretaris         voorzitter

Naar boven