Nummer 24/44391/SGA
Betreft verzoeker
Datum 11 november 2024
Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van
verzoeker (hierna: verzoeker)
1. De procedure
De directeur van de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein (hierna: de directeur) heeft aan verzoeker een disciplinaire straf opgelegd van veertien dagen opsluiting in een strafcel, vanwege het weigeren van de plaatsing in een meerpersoonscel (MPC), ingaande op 6 november 2024 om 15:50 uur en eindigend op 20 november 2024 om 15:50 uur.
Verzoeker vraagt om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.
De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek, van het klaagschrift, van de nadere toelichtingen van verzoekers raadsman, mr. S.T. van Berge Henegouwen, op het schorsingsverzoek en van de desgevraagde nadere reactie van de directeur van 11 november 2024.
2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij niet op een MPC mag wegens een incident in een andere inrichting waar hij verbleef. Daarnaast heeft de directeur mondeling beloftes gedaan over het maken van afspraken met de inrichtingspsycholoog, maar daarvan is niks terecht gekomen.
Uit de stukken komt naar voren dat verzoeker een tijdelijke contra-indicatie had tot
13 oktober 2024 en dat hij binnen die tijd gezien moest worden door de inrichtingspsycholoog en inrichtingsarts om de mogelijkheid voor een vaste contra-indicatie te bespreken. De directeur stelt dat verzoeker in die periode zelf geen stappen heeft genomen om een contra-indicatie te verkrijgen. Om die reden zag de medische dienst geen aanleiding om een contra-indicatie op psychische gronden te adviseren. Verder heeft het afdelingshoofd in verzoekers geval onvoldoende specifieke risico’s of bezwaren vastgesteld die zijn plaatsing in een MPC zouden verhinderen. Op 6 november 2024 moest verzoeker naar een MPC omdat hij bovenaan de lijst stond voor ‘dubbelplaatsing’, maar deze plaatsing weigerde hij.
Op basis van de stukken is de voorzitter – anders dan de directeur stelt – aannemelijk geworden dat verzoeker (via zijn raadsman) stappen heeft ondernomen voor een gesprek met de medische dienst en/of de inrichtingspsycholoog. Verzoekers raadsman heeft e-mails overgelegd van 18 en 24 oktober 2024 waarin het verzoek wordt gedaan verzoeker op te roepen voor een afspraak bij de medische dienst en de inrichtingspsycholoog. In de e-mail van 18 oktober 2024 geeft de raadsman aan dat verzoeker al drie weken tevergeefs heeft geprobeerd een afspraak te maken met de medische dienst en de inrichtingspsycholoog. Daarnaast is de voorzitter ambtshalve bekend met een schorsingsverzoek van verzoeker (24/44186/SGA) tegen een eerdere disciplinaire straf van 25 oktober 2024 wegens het weigeren van een MPC waarin hij aangeeft dat het afdelingshoofd ondanks een belofte van drie weken eerder geen gesprek is aangaan met de inrichtingspsycholoog over verzoekers contra-indicatie.
Gelet op het voorgaande kan verzoeker – naar het oordeel van de voorzitter – niet worden verweten dat geen gesprek heeft plaatsgevonden met de medische dienst en/of inrichtingspsycholoog voor het verkrijgen van een (vaste) contra-indicatie. De beslissing om verzoeker vervolgens (opnieuw) een disciplinaire straf op te leggen wegens het weigeren van een MPC – omdat hij niet beschikt over een contra-indicatie daarvoor – vindt de voorzitter zodanig onredelijk en onbillijk dat het verzoek zal worden toegewezen.
3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.
Deze uitspraak is op 11 november 2024 gedaan door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, bijgestaan door mr. L. van der Linden, secretaris.
secretaris voorzitter