Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 24/38951/GA, 24 oktober 2024, beroep
Uitspraakdatum:24-10-2024

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Media  v

Nummer           24/38951/GA

    

           

Betreft [klager]

Datum  24 oktober 2024

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de beslissing van 5 oktober 2023 tot afwijzing van zijn verzoek om contact met de media.

De beklagcommissie bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard heeft op 5 februari 2024 het beklag ongegrond verklaard (ZB-2023-897). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. A. Wijburg, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman, […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de PI Heerhugowaard, […], juridisch medewerker bij de PI Heerhugowaard, en mr. M. Beekes, landsadvocaat, gehoord op de digitale zitting van 17 mei 2024.

De beroepscommissie heeft klagers raadsman gevraagd om de pleitnotities die zijn gebruikt tijdens de zitting toe te sturen. Klagers raadsman heeft dit op 19 juni 2024 toegestuurd. De beroepscommissie heeft dit ter kennisgeving toegestuurd aan de directeur.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager verwijst naar en herhaalt wat hij heeft aangevoerd in het beklag en tijdens de beklagzitting en voert aanvullend het volgende aan.

De beslissing leidt tot een oneerlijke en onbillijke situatie. Klager wordt monddood gemaakt. De beslissing is disproportioneel en in strijd met klagers recht op vrijheid van meningsuiting. De belangen van de nabestaanden en het belang van klager kunnen naast elkaar bestaan, zonder dat de belangen van de één disproportioneel worden geschaad. Klager citeert een rechter in de documentaire die aangeeft waarde te hechten aan de menselijke maat en dat men voorzichtig moet zijn om van de dader geen monster te maken. Er moet in de samenleving kritisch worden gekeken naar beslissingen die de rechten van gedetineerden nog verder inperken. Het recht op vrijheid van meningsuiting is van groot belang. Dit staat aan de kern van menszijn en deelnemen aan de samenleving en is ook van belang voor de samenleving omdat deze geïnformeerd moet blijven.

De beklagcommissie heeft de belangen van de nabestaanden ten onrechte laten prevaleren boven het belang van klager bij deelname aan de documentaire. De belangen van de nabestaanden worden niet, althans onvoldoende geschaad door deze documentaire. Het is een journalistiek hoogwaardige documentaire waar alle betrokkenen aan het woord zijn gekomen: de Minister, de zaaksofficier, de voorzitter van de rechtbank, de oudste raadsheer en de recherche. De documentaire wordt niet uitgezonden op televisie, maar kan slechts worden bekeken via een betaalde streamingsdienst. Iemand die de documentaire wil zien, moet daar actief voor betalen en daarna zelf de documentaire nog aanklikken. Van onverhoedse confrontatie met de documentaire op de televisie is aldus geen sprake. De deelname van klager aan deze documentaire zal dat in zijn visie niet anders maken.

De documentaire gaat er niet over of klager ten onrechte is veroordeeld. De documentaire bespreekt de rechtsgang en de inzet van kroongetuigen en bouwt op naar beantwoording van de vraag in hoeverre dat wenselijk is. Klager is als enige veroordeelde benaderd, omdat hij als enige in eerste aanleg werd vrijgesproken en in tweede aanleg werd veroordeeld, nota bene tot levenslang. Klagers advocaat en zijn dochter komen niet meer aan het woord dan anderen. De documentaire vertelt niet het verhaal vanuit hun perspectief. Nabestaanden zijn ook betrokken door de documentairemakers. Met één van hen is een interview in de documentaire getoond en één van hen heeft een schriftelijke reactie gegeven.

De column waarnaar de directeur verwijst kan niet serieus genomen worden, omdat de columnist zelf vaak aan het woord is geweest in de documentaire.

Aan klagers deelname kunnen voorts beperkingen worden opgeworpen zodat de belangen van de nabestaanden alsnog voldoende beschermd kunnen worden (subsidiariteit). Hij zou niet met zijn gezicht of met zijn rug naar de camera in beeld kunnen komen. Er zijn manieren om nabestaanden niet te confronteren met klager. Het is niet aan klager, maar aan de directeur om voorwaarden aan te dragen. Klager is bereid zich aan voorwaarden te houden.

Klagers belang bij deelname aan de documentaire is groot en zwaarwegend. Er zijn dingen in de documentaire onjuist geformuleerd, waar klager op wil reageren. Hij wil vertellen hoe hij het proces heeft beleefd, hoe hij met de straf omgaat en met zijn familie. Hij is niet van plan om te spreken over slachtoffers en/of nabestaanden. Iedereen is aan het woord gekomen in de documentaire, behalve klager. Klager heeft het recht om zijn verhaal te vertellen.

Klager heeft altijd medeleven getoond aan de nabestaanden en heeft begrip voor hun gevoel. Het is niet de bedoeling om hen te kwetsen in de documentaire. De directeur hoeft de nabestaanden niet te beschermen. Er zijn overigens ook nabestaanden die niet hebben gereageerd op de brief van de directeur. De nabestaanden zijn geen kort geding gestart tegen het verschijnen van de documentaire.

Het mediaverzoek is nog steeds actueel. De documentairemaker handhaaft het verzoek. Zij heeft naar aanleiding van de documentaire vragen aan klager, die zij op camera aan hem wenst te stellen voor een extra slotaflevering. De documentaire is inmiddels gemaakt en wordt gestreamd. De documentaire is goed ontvangen in de media. Het Openbaar Ministerie heeft geen bezwaar.

 

Verzoeken

Klager verzoekt de beroepscommissie kennis te nemen van de documentaire zodat de beroepscommissie een duidelijk beeld krijgt over de documentaire waaraan klager zijn deelneming zou willen verlenen. Klager verwijst naar een link van de betaalde streamingsdienst. Ter zitting heeft klagers raadsman desgevraagd aangegeven dat dit geen formeel verzoek is, maar een indringende suggestie. Er wordt herhaaldelijk verwezen naar de documentaire. Het is goed om er een beeld van te krijgen om volledig geïnformeerd te zijn.

De beklagcommissie heeft overwogen dat de belangen van de nabestaanden na verloop van tijd niet langer op basis van de overweging dat zij baat hebben bij rust, kunnen provelaren boven klagers belang om zijn visie middels de media te uiten. Klager verzoekt de beroepscommissie om nader invulling te geven aan “het verloop van tijd”. Nabestaanden zullen altijd moeite blijven hebben. Vanaf wanneer is het klager, een levenslanggestrafte, toegestaan om zijn mening te uiten in de media over zijn strafzaak? Wanneer worden de belangen anders gewogen? De feiten zijn van twintig jaar geleden en de onherroepelijke veroordeling is van vijf jaar geleden. Er zal altijd media-aandacht blijven voor klagers strafzaak.

Klager verzoekt om te bepalen dat klager zijn medewerking mag verlenen aan de documentaire en om zijn standpunt mondeling te mogen toelichten.

 

Standpunt van de directeur

De beslissing is voldoende gemotiveerd. De directeur verwijst naar de beslissing en het verweerschrift in beklag. De directeur verwijst naar artikel 40 en artikel 2, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).

De documentaire gaat over klagers strafproces en er worden algemene vragen behandeld, maar de focus ligt op klager. De documentaire bouwt op naar de vraag of klager ten onrechte is veroordeeld (door de inzet van twee kroongetuigen). Klagers advocaat is veel aan het woord en zijn dochter speelt een prominente rol. Aan andere veroordeelden en hun familieleden wordt niet of nauwelijks aandacht besteed. Niet alle kanten zijn onafhankelijk belicht. De directeur verwijst naar een column en een interview over de documentaire.

Dat het in de kern gaat om een documentaireserie over klager, blijkt ook uit het belang dat klager bij de beoordeling van zijn beroep stelt te hebben. De documentairemaakster wil namelijk een zevende aflevering aan de reeks toevoegen, waarin klager zelf aan het woord komt. De aanleiding voor de documentaire was de veroordeling van klager. Klager zou de enige veroordeelde zijn die zelf aan het woord zou komen.

De directeur heeft de zienswijzen van de nabestaanden ingewonnen. Hij heeft aan hen (via Afdeling Slachtofferbeleid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid) gevraagd hoe zij tegenover de medewerking van klager aan een documentaire staan. Niet alle nabestaanden hebben gereageerd, maar een aantal wel. Er zijn geen nabestaanden die hebben laten weten geen bezwaar te hebben. Er zijn nabestaanden die voorwaarden hebben genoemd, indien het verzoek toch wordt toegewezen. De indringende zienswijzen van de nabestaanden, die in de bestreden beslissing zijn weergegeven, hebben de eerdere aannames van de directeur – dat verschijning van klager in een documentaireserie de rust en het rouwproces van de nabestaanden op een onaanvaardbare wijze zou verstoren – bevestigd. De directeur kon gelet op die zienswijzen alleen beslissen om opnieuw het mediaverzoek af te wijzen.

De nabestaanden wezen erop dat er relatief veel gewicht zou toekomen aan en aandacht zou uitgaan naar klager, waardoor een vertekend beeld zou kunnen ontstaan. Dat deden zij voordat de documentaire uit was. Inmiddels is duidelijk dat ook zonder de bijdrage van klager relatief veel aandacht naar zijn positie uitgaat. Van het monddood maken van klager is dan ook geen sprake. Nabestaanden spelen geen actieve rol in de documentaire, maar het kan dat ze wel zijn benaderd.

De directeur heeft alternatieven overwogen, maar die zijn er niet. De directeur kan klagers verzoek niet toewijzen en tegelijk de belangen van de nabestaanden respecteren. Klagers bijdrage aan de documentaire zou de nabestaanden rechtstreeks raken. Er kan niet als voorwaarde worden gesteld dat hij het niet heeft over de strafzaak, omdat de documentaire daar juist over gaat. Klager heeft ook niet toegelicht welke voorwaarden de directeur zou kunnen stellen.

De documentaire is op een streamingsdienst verschenen en makkelijk beschikbaar. Aan de documentaire is de nodige media-aandacht besteed. Daarop zaten de nabestaanden ook niet te wachten, maar een bijdrage van klager, als enige veroordeelde die aan het woord zou komen, zou erger voor hen zijn. De directeur kan zich voorstellen dat het voor de nabestaanden als een zekere erkenning zal hebben gevoeld dat daaruit bleek dat klager niet zelf deelneemt aan de documentaire. Zou er nu nog een zevende aflevering volgen waarin alleen (of veelvuldig) klager aan het woord komt, dan zou dat ongetwijfeld opnieuw tot voor de nabestaanden onredelijk bezwarende media-aandacht leiden.

Naar het oordeel van de directeur kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald dat na verloop van een bepaalde hoeveelheid tijd tot een andere belangenafweging zou kunnen worden gekomen. Elk mediaverzoek zal opnieuw worden beoordeeld. Hoe de belangenafweging in de toekomst uitvalt, zal afhankelijk zijn van alle omstandigheden van het geval, waaronder, maar niet uitsluitend het tijdsverloop, de inhoud en vorm van het mediaverzoek en waartoe dit zou moeten leiden. Na verloop van tijd zal er minder gewicht worden toegekend aan de belangen van de nabestaanden, die er nog steeds niet op zullen zitten te wachten.

Op het moment dat onderhavig verzoek is gedaan, waren pas enkele jaren verstreken sinds het onherroepelijk worden van klagers veroordeling in 2019. Daaraan ging een lang strafproces vooraf dat buitengewoon veel media-aandacht heeft gegenereerd. Uit het arrest van het hof blijkt hoeveel impact die media-aandacht heeft gehad op de nabestaanden. Zij hebben pas vele jaren na het overlijden van hun naaste, nadat de veroordeling van onder meer klager onherroepelijk werd, een begin kunnen maken met de verwerking daarvan. De nabestaanden hebben belang bij rust en er belang bij om gevrijwaard te worden van voortzetting van continue media aandacht en een dergelijk podium voor klager. Er is aldus nog geen sprake van een tijdsverloop dat maakt dat de belangen van de nabestaanden minder zwaar worden gewogen dan de belangen van klager. De zienswijzen van de nabestaanden laten dat zien. Het is een half jaar geleden dat de nabestaanden zijn bevraagd.

 

3. De beoordeling

Verzoek

Klager heeft de suggestie gedaan aan de beroepscommissie om kennis te nemen van de documentaire. De beroepscommissie overweegt dat in deze procedure de beslissing van de directeur ex tunc getoetst wordt. Dat betekent dat de beroepscommissie beoordeelt of de beslissing op het moment dat de directeur die nam, met de op dat moment beschikbare informatie, redelijk en billijk is. De documentaire was op 5 oktober 2023 nog niet verschenen. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van ex tunc toetsing en over te gaan tot gezamenlijke kennisneming van de documentaire en/of oordeelsvorming daarover door de beroepscommissie.

 

Beoordelingskader

Artikel 40 van de Pbw luidt:

1. De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een gesprek tussen de gedetineerde en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:

a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;

b. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden;

c. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de gedetineerde;

d. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.

2. De directeur kan met het oog op de bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden. De directeur is bevoegd een vertegenwoordiger van de media uit de inrichting te doen verwijderen, indien hij de hem opgelegde voorwaarden niet nakomt.

3. De directeur kan op het contact met een vertegenwoordiger van de media toezicht uitoefenen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid. Artikel 38, vierde lid, tweede en derde volzin, en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

De wetgever heeft in de memorie van toelichting bij de Pbw toegelicht dat de mogelijk ingrijpende publicitaire gevolgen van contacten tussen pers en een gedetineerde rechtvaardigen om niet, zoals bij andere contacten met buiten is geschied, het desbetreffende recht van de gedetineerde voorop te stellen. De directeur kan toestemming geven voor een perscontact voor zover dit zich verdraagt met een aantal met name genoemde belangen. De verantwoordelijkheid van de directeur voor de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming strekt zich uitdrukkelijk ook uit tot de bescherming van slachtoffers en andere bij misdrijven betrokkenen, medegedetineerden en personeelsleden (Kamerstukken II 1994-1995, 24 263, nr. 3, p. 60).

Het is vaste rechtspraak van de beroepscommissie dat de directeur iedere keer dat een gedetineerde verzoekt om een gesprek te mogen voeren met een vertegenwoordiger van de media, een afweging moet maken tussen het belang van klager en de belangen zoals genoemd in artikel 40, eerste lid, van de Pbw (bijvoorbeeld RSJ 19 juli 2022, R-20/8114/GA). Daarbij wordt ook het bepaalde in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in acht genomen.

De directeur heeft klagers verzoek afgewezen op grond van sub c. van artikel 40 van de Pbw.

 

Tijdlijn procedures

Op 7 maart 2022 heeft de directeur beslist tot afwijzing van klagers verzoek om contact met de media. De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 27 oktober 2022 gegrond verklaard, omdat de beslissing onvoldoende gemotiveerd was. De directeur is opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen. De beroepscommissie heeft de uitspraak van de beklagcommissie bevestigd met aanvulling van de gronden (RSJ 8 mei 2023, 22/30103/GA).

Op 7 december 2022 heeft de directeur een nieuwe, wederom afwijzende, beslissing genomen. De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 28 februari 2023 ongegrond verklaard. De beroepscommissie heeft geoordeeld dat de beslissing van de directeur onvoldoende was gemotiveerd, het beklag alsnog gegrond verklaard en de directeur opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 18 september 2023, 23/32507/GA).

Op 6 juli 2023 heeft klager weer een verzoek gedaan om contact te mogen hebben met de media. Hij heeft verzocht om een bijdrage te mogen leveren aan de documentaire door het houden van voorgesprekken met audio-opname en vervolgens een dagdeel te filmen. Bij het verzoek zat ook een brief van 12 mei 2023 van de producent van de documentaire waarin deze te kennen geeft dat het productiebedrijf een zesdelige documentaireserie zou produceren over klagers strafproces. De producent verzocht om twee voorgesprekken tussen klager, haarzelf en een redactielid. Van deze voorgesprekken zou een audio-opname gemaakt worden zodat ze konden worden uitgewerkt en het interview kon worden voorbereid. Vervolgens zou gedurende maximaal drieënhalf uur in een grote ruimte met twee camera’s en licht conform de mediaregels een interview gedraaid worden door een ploeg van acht personen (regie, camera, geluid, licht, rechtbanktekenaar, productie, redactie en interviewer). Op 5 oktober 2023 heeft de directeur een nieuwe, eveneens afwijzende, beslissing genomen. De beklagcommissie heeft klagers beklag tegen die beslissing op 5 februari 2024 ongegrond verklaard. Daartegen heeft klager onderhavig beroep ingediend.

 

De inhoudelijke beoordeling van de beroepscommissie

Vooropgesteld wordt dat klager is veroordeeld voor onder meer betrokkenheid bij levensdelicten en dat deze feiten onpeilbaar en onherstelbaar leed hebben veroorzaakt voor de nabestaanden van de slachtoffers. Iedere vorm van media-aandacht voor het strafproces en voor klagers rol daarin zal, ook met het verstrijken van de tijd, moeilijk zijn voor nabestaanden. De behoefte om niet steeds weer geconfronteerd te worden met het strafproces en met klager is begrijpelijk. Het gewicht van het belang van nabestaanden bij rust en bij het voorkomen van een onaanvaardbare verstoring van het rouwproces zal dan ook eigenlijk nooit (wezenlijk) kunnen afnemen. Het is hoe dan ook sterk invoelbaar dat de medewerking van klager aan een documentaire over zijn strafproces en veroordeling wordt ervaren door nabestaanden als confronterend, onverteerbaar en onwenselijk.

Toch dient bij elk verzoek van klager om medewerking aan de documentaire een individuele belangenafweging gemaakt te worden. Daarbij dient het voornoemde belang van de nabestaanden afgewogen te worden tegen het belang van klager dat is gelegen in zijn (zwaarwegende) grondrecht op vrije meningsuiting, over, in dit geval, zijn strafproces en zijn rol daarin.

De directeur heeft beslist dat klagers belang bij vrije meningsuiting en het contact met de media, op dit moment, nog steeds minder zwaarwegend is dan het hiervoor geschetste belang van de nabestaanden bij rust. Daarbij heeft de directeur acht geslagen op de zienswijzen van de nabestaanden, de onherroepelijkheid van klagers veroordeling in 2019 en het (volgens de directeur) betrekkelijke belang van klager.

De beroepscommissie overweegt als volgt. Uit de brief van de producent volgt dat de zesdelige documentaireserie ongeacht klagers eventuele bijdrage zou verschijnen op een betaalde streamingsdienst in februari 2024. De nabestaanden zouden dus ongeacht de eventuele bijdrage van klager hoe dan ook geconfronteerd kunnen worden met de documentaire en daarmee opnieuw met het strafproces en klagers rol daarin. 

Bezien tegen deze achtergrond is de beroepscommissie van oordeel dat door klagers medewerking aan de documentaire weliswaar de rust en het rouwproces van nabestaanden (verder) verstoord kunnen worden, maar dat het extra leed dat hen daardoor zal worden toegevoegd, minder zwaar weegt dan klagers belang bij vrije meningsuiting door medewerking aan de documentaire. Daarbij heeft de beroepscommissie meegewogen dat uit de brief van de producent volgt dat al een groot aantal betrokkenen bij het strafproces – waaronder betrokken rechters – zijn geïnterviewd en hun medewerking verlenen aan de documentaire, en dat het klager er vooral om gaat ook zijn visie te kunnen geven op de gang van zaken rondom het strafproces. Verder heeft de beroepscommissie meegewogen dat klager te kennen heeft gegeven dat hij in zijn bijdrage aan de documentaire absoluut niet over de slachtoffers en/of hun nabestaanden zal komen te spreken en dat de directeur de bevoegdheid heeft om voorwaarden te stellen aan klagers medewerking aan de documentaire en zijn verschijning daarin, om tegemoet te komen aan de belangen van de nabestaanden. Het oordeel van de beroepscommissie is dan ook dat de directeur in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot afwijzing van het verzoek om mee te mogen werken aan de documentaire op deze grond.

Klager heeft verzocht om invulling te geven aan het ‘verloop van tijd’ zoals door de beklagcommissie is overwogen. Gelet op hetgeen de beroepscommissie hiervoor heeft overwogen over de belangen van de nabestaanden en de hierna volgende conclusie, acht zij het niet nodig om - voor zover dat mogelijk zou zijn - expliciet invulling te geven aan het tijdsverloop.

 

Conclusie

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, moet de beslissing van de directeur als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog gegrond verklaren. Klager heeft de beroepscommissie verzocht om te bepalen dat hij contact mag hebben met de media. De beroepscommissie zal daartoe niet overgaan, omdat zij het van belang vindt dat de directeur in de gelegenheid wordt gesteld om bijvoorbeeld voorwaarden te stellen aan mediacontact.  De beroepscommissie zal de beslissing van de directeur vernietigen en de directeur opdragen om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een termijn van vier weken na ontvangst daarvan. De beroepscommissie ziet geen aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij vernietigt de beslissing waarover is geklaagd en draagt de directeur op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak binnen een termijn van vier weken na ontvangst daarvan.

De beroepscommissie kent klager geen tegemoetkoming toe.

 

Deze uitspraak is op 24 oktober 2024 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter, F. van Dekken en dr. T. Jambroes, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

 

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven