Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 08/1273/GB, 12 augustus 2008, beroep
Uitspraakdatum:12-08-2008

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 08/1273/GB

betreft: [klager] datum: 12 augustus 2008

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 16 mei 2008 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Klager is op 18 juli 2008 door een lid van de Raad gehoord.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft beslist tot verlenging van klagers verblijf als afgestrafte in de extra beveiligde inrichting (EBI) Nieuw Vosseveld te Vught.

2. De feiten
Klager is sedert 8 november 1999 gedetineerd. Op 12 december 2001 is hij ontvlucht. Op 12 mei 2007 is hij weer aangehouden en geplaatst op de landelijke afzonderingsafdeling (l.a.a.) Nieuw Vosseveld te Vught. Vanuit de l.a.a. is hij op
1 juni 2007 in de EBI geplaatst.

3. De standpunten
3.1. Door klager is het beroep tegen de beslissing zijn verblijf in de EBI te verlengen als volgt toegelicht.
In de laatste beslissing van de beroepscommissie is letterlijk overgenomen wat door de directeur van de EBI en de selectiefunctionaris is aangevoerd, terwijl in hun standpunten, zoals klager had aangegeven, tal van onjuistheden waren vermeld. Klager
heeft niet teruggezien wat hij zelf had aangevoerd. Hij vindt dit flauw.
Klager geeft overigens aan dat de selectiefunctionaris zijn standpunt nu in wat mildere bewoordingen op papier heeft gezet.
Klager geeft aan dat het juist is dat hij destijds is ontvlucht en dat hij is veroordeeld. Wanneer deze twee omstandigheden een langer verblijf in de EBI rechtvaardigen, dan heeft hij daar geen problemen mee. Het moet echter niet zo zijn dat hem zaken
worden aangewreven die niet waar zijn. Als voorbeeld noemt klager dat steeds wordt aangegeven dat hij drie overvallen zou hebben gepleegd en dat hij gebruik zou hebben gemaakt van bepaalde explosieven, maar dat is niet het geval geweest.

3.2. De directeur van de EBI heeft geadviseerd klagers verblijf in de EBI opnieuw te verlengen. De onderbouwing van dit advies komt overeen met de onderbouwing van het advies dat de directeur uitbracht in het kader van de vorige verlenging.

3.3. De selectiefunctionaris die klager op 15 mei 2008 in de EBI heeft gesproken in het kader van het voorstel tot verlenging van klagers verblijf in de EBI, heeft het volgende bericht.
Klager was niet verbaasd over het door de directeur van de EBI uitgebrachte advies. Het zit klager echter dwars dat 70% van de informatie die de selectiefunctionaris in zijn laatste beslissing vermeldde onjuist is. Zo heeft hij bij zijn ontvluchting
geen hulp van anderen gehad.

3.4. De selectiefunctionaris heeft bericht dat de noodzaak tot verlenging van het verblijf van klager in de EBI aan de orde is geweest in de vergadering van de adviescommissie EBI van 15 mei 2008. Uit de beschikbare informatie is geconcludeerd dat
klager onveranderd moet worden gekwalificeerd als vluchtgevaarlijk. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaar wegens zeer ernstige, gewelddadige delictplegingen, die hebben geleid tot maatschappelijke onrust en tot een ernstig
geschokte rechtsorde. Bovendien bestaat nog de mogelijkheid dat klager zal worden geconfronteerd met vervolgvonnissen. Er is sprake geweest van uitvoerige aandacht in de media, niet alleen waar het de door klager gepleegde delicten betreft maar ook
betreffende diens ontvluchting uit De Schie op 12 december 2001. Klager heeft aangetoond in staat te zijn invulling te kunnen geven aan voornemens tot ontvluchting met hulp van derden en daarbij buitengewoon grof geweld niet uit de weg te gaan indien
hij zulks noodzakelijk acht voor het welslagen van zijn ontvluchting. In geval van ontvluchting zal sprake zijn van een onaanvaardbaar maatschappelijk risico, van maatschappelijke onrust en van een zeer ernstig geschokte rechtsorde.

4. De beoordeling
4.1. De EBI Nieuw Vosseveld is aangewezen als h.v.b. en gevangenis voor mannen met een regime van beperkte gemeenschap, een individueel regime en een extra beveiligingsniveau.

4.2. Op grond van artikel 6 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, kunnen in de extra beveiligde inrichting gedetineerden worden geplaatst die:
a. een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, of
b. bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is.

4.3. Artikel 26 van voornoemde Regeling noemt de voorwaarden die in acht worden genomen bij de beslissing tot plaatsing in een EBI en de beslissing tot verlenging van het verblijf in een EBI elke zes maanden daarna.

4.4. Bij uitspraak van 20 maart 2008, nr. 07/3335/GB heeft de beroepscommissie klagers beroep, gericht tegen de vorige beslissing tot verlenging van zijn verblijf in de EBI, ongegrond verklaard. Daarbij werd onder meer overwogen dat sedert de
plaatsing van klager in de EBI nauwelijks nieuwe gegevens waren toegevoegd, behoudens gedragsrapportage betreffende zijn verblijf in de EBI gedurende de laatste zes maanden. Deze overweging kan thans opnieuw worden gemaakt.
Dat neemt niet weg dat het feit van klagers ontvluchting in december 2001 tot zijn aanhouding in mei 2007, de inhoud van de GRIP-rapportage van 23 mei 2007 in combinatie met de ernst van de feiten waarvoor klager is veroordeeld tot een lange
gevangenisstraf en de nodige media-aandacht die zijn strafzaak en de ontvluchting hebben gekregen, nog steeds voldoende grond vormen voor de conclusie dat klager een extreem vluchtrisico en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van
recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten vormt. Ook acht de beroepscommissie nog steeds aannemelijk dat klager bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormt. De beroepscommissie concludeert dan ook dat klager nog steeds in beide
categorieën valt als genoemd onder 4.2.
Tegen de achtergrond van het vorenstaande kan beslissing klagers verblijf in de EBI te verlengen, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Klagers beroep zal dan ook ongegrond worden
verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.P. Balkema, voorzitter, mr. M.A.G. Rutten en dr. J.P.S. Fiselier, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.N.E. Plooij, secretaris, op 12 augustus 2008.

secretaris voorzitter

Naar boven