Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 22/27504/GA, 28 juli 2022, beroep
Uitspraakdatum:28-07-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer 22/27504/GA       

Betreft [klager]

Datum 28 juli 2022

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

a.  het verzoek van de directeur aan klager om medewerking te verlenen aan een risicotaxatie en delictanalyse; en

b.  de omstandigheid dat de directeur de risicotaxatie en delictanalyse te laat heeft aangeboden, waardoor klagers detentiefasering vertraging heeft opgelopen.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard heeft op 11 mei 2022 klager niet-ontvankelijk verklaard in beklag a. (G-2022-000401). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. A.S. Sewgobind, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de PI Sittard (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De beoordeling

Klager is veroordeeld voor kwalificeerde doodslag en een poging tot gekwalificeerde doodslag. De directeur heeft hem daarom verzocht mee te werken aan een risicotaxatie en delictanalyse ten behoeve van het verlenen van vrijheden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling wint de directeur, na ontvangst van het verzoek om verlof, alle benodigde inlichtingen en adviezen in. Met ingang van 5 november 2021 is het zevende lid van artikel 3 van de Regeling in werking getreden. Volgens deze bepaling betrekt de directeur bij de beslissing op een verzoek om verlof, niet zijnde incidenteel verlof, van een gedetineerde die is veroordeeld voor een ernstige gewelds- en zedenmisdrijf, een delictanalyse en risicotaxatie als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit forensische zorg.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder x., van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) wordt in de Regeling onder ‘ernstige gewelds- en zedenmisdrijven’ onder meer verstaan: een misdrijf als bedoeld in artikel 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Over artikel 3, zevende lid, van de Regeling staat in de toelichting (Regeling van 26 oktober 2021, nr. 3240476, Stcrt. 2021, nr. 45379) het volgende:

“Op grond van het nieuwe artikel 3, zevende lid, Rtvi worden een delictanalyse en een recent opgemaakte risicotaxatie een verplicht onderdeel van de besluitvorming over verloven aan veroordeelden voor een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf. Deze verplichting geldt ook voor levenslanggestraften die zijn veroordeeld voor deze misdrijven. De risicotaxatie is niet ouder dan zes maanden.”

Beklag a.

De beklagrechter heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in beklag a., omdat geen sprake is van een beslissing van de directeur. De beroepscommissie is van oordeel dat de beklagrechter op goede gronden en met juistheid op het beklag heeft beslist. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beklag b.

Klager noemt (subsidiair) in zijn klaagschrift dat de directeur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat de risicotaxatie en delictanalyse te laat zijn aangeboden. Dit had volgens klager dienen te gebeuren voordat hij op 1 juli 2021 in aanmerking kwam voor re-integratieverlof of andere vrijheden, zodat de opgelopen vertraging in zijn detentiefasering had kunnen worden voorkomen.

Aangezien de beklagrechter op beklag b. niet heeft beslist, zal de beroepscommissie dit beklag om proceseconomische redenen als enige en hoogste instantie afdoen.

De verplichting die voortvloeit uit artikel 3, zevende lid, van de Regeling geldt sinds 5 november 2021. Uit de namens klager aangedragen inlichtingen volgt dat eerst omstreeks mei 2022 vanuit de inrichting een risicotaxatie is aangevraagd bij een Centrum Forensisch Psychiatrische Zorg. Dit gebeurde ook eerst nadat de Minister voor Rechtsbescherming (in ieder geval) op 14 maart 2022 en op 5 april 2022 besliste tot afwijzing van klagers verlofaanvragen, onder meer omdat bepaalde risico’s niet konden worden ingeschat.

De directeur heeft, gezien het voorgaande, gehandeld in strijd met artikel 3 van de Regeling, dat in klagers geval voorschrijft dat een – door de directeur aangevraagde – risicotaxatie (en delictanalyse) wordt betrokken bij de besluitvorming over verlofverlening, met uitzondering van het incidenteel verlof. Nu de directeur hieraan te laat gevolg heeft gegeven, zal beklag b. gegrond worden verklaard. De beroepscommissie ziet aanleiding om klager voor het geleden ongemak een tegemoetkoming toe te kennen en zal deze naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op €20,-.

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep inzake beklag a. ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter.

De beroepscommissie verklaart beklag b. gegrond en kent klager een tegemoetkoming toe van €20.

Deze uitspraak is op 28 juli 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M. Iedema, voorzitter, mr. S. Bijl en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. M.G. Bikker, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven