Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/23868/GA, 28 maart 2022, beroep
Uitspraakdatum:28-03-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          21/23868/GA

    

           

Betreft [Klager]

Datum 28 maart 2022

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om geprivilegieerd telefonisch contact met vier aan [advocaat 1] verbonden secretaresses toe te staan.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught heeft op 11 oktober 2021 het beklag ongegrond verklaard (VU 2021/874). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. T.S. van der Horst, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en namens de directeur van de PI Vught (hierna: de directeur) de landsadvocaat, in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De beroepscommissie heeft eerder, in RSJ 19 april 2012, 11/4149/GA, geoordeeld dat onder het geprivilegieerde contact zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, in verbinding met artikel 37, eerste lid, aanhef en onder i (de beroepscommissie begrijpt hier en verder: onder j), van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) tevens een contact met de secretaresse van de advocaat moet worden verstaan. De beklagrechter komt met betrekking tot de secretaresses van [advocaat 1] tot een ander oordeel, aangezien klager verzoekt om structureel juridisch, inhoudelijk contact met de secretaresses dat vergelijkbaar is met contact tussen een advocaat en een gedetineerde. Deze overweging en de daaraan verbonden conclusie is om meerdere redenen onbegrijpelijk.

Het oordeel van de beroepscommissie in RSJ 19 april 2012, 11/4149/GA, laat allereerst geen ruimte voor een nadere afweging in welke gevallen de secretaresse van de advocaat wel en wanneer niet binnen de reikwijdte van het begrip ‘rechtsbijstandsverlener’ zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder j, van de Pbw valt en wanneer wel en wanneer niet ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Pbw geprivilegieerd telefonisch contact met de secretaresse van de advocaat moet worden gefaciliteerd en toegestaan. Een dergelijke benadering zou, ten tweede, ook diverse praktische bezwaren opleveren. Gesteld kan namelijk worden dat ten aanzien van iedere secretaresse, of op ieder moment dat een advocaat niet in de gelegenheid is om een vertrouwelijk gesprek te kunnen voeren en de gedetineerde in dat geval met de (wel voor overleg beschikbare) secretaresse van de advocaat wenst te spreken, opnieuw dient te worden beoordeeld of sprake is van een rechtsbijstandverlener en of vertrouwelijke communicatie moet worden toegestaan. De secretaresse van de advocaat is wel of niet een rechtsbijstandsverlener en daarbij is de persoon van de secretaresse, de persoon van de gedetineerde of de mogelijke frequentie van de afwezigheid van de advocaat en (daarmee) de mogelijke frequentie van overleg tussen de secretaresse en de gedetineerde niet relevant. In dat kader is voor klager onduidelijk op basis waarvan de beklagrechter tot de overweging is gekomen dat hij verzoekt om structureel juridisch, inhoudelijk contact met de secretaresses. Daar is geen sprake van. Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag op 27 september 2021 is door klager immers aangegeven dat hij niet dagelijks met de secretaresses hoeft te bellen, maar dat het fijn en gemakkelijk is als hij ze kan bellen in geval van vragen.

Dat klager met de secretaresses van [advocaat 1] vertrouwelijk wil kunnen overleggen op het moment dat [advocaat 1] daarvoor niet bereikbaar is, is niet onbegrijpelijk gezien de omvang van zaken die [advocaat 1] in beheer heeft. In die gevallen dient klager, indien daarvoor de noodzaak en gelegenheid bestaat, vertrouwelijk met de secretaresses van [advocaat 1] te kunnen telefoneren, zodat hij in overleg kan treden over praktische en (strafrechtelijk) inhoudelijke zaken en hij voorts op de hoogte kan worden gehouden van onder meer de voortgang van de terechtzittingen in het [proces], in het geval hij daar niet in persoon bij aanwezig is.

Steun voor het standpunt dat vertrouwelijk overleg met de secretaresse van de advocaat moet worden toegestaan, kan wel degelijk worden gevonden in de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:897, nu daarin – kort gezegd – wordt overwogen dat de Nederlandse Staat de medewerker (zijnde geen advocaat) van [advocaat 2] de gelegenheid moet bieden om geprivilegieerd te kunnen telefoneren met de in detentie verblijvende cliënt van [advocaat 2]. Dat het gaat om een civielrechtelijke uitspraak doet daaraan niet af en maakt niet dat geen waarde toekomt aan voornoemde uitspraak. Het betreft een rechterlijk oordeel in een vergelijkbare zaak. Het is in dat kader overigens noemenswaardig dat de Nederlandse Staat onder rechtsoverweging 4.9 het standpunt heeft ingenomen dat het systeem van geheimhoudernummers en nummerherkenning niet geldt voor de betreffende medewerker, maar slechts voor de advocaat en enkele hulppersonen, waaronder de secretaresse. Daarmee neemt de Nederlandse Staat in die zaak kennelijk het standpunt in dat de secretaresse van de advocaat vertrouwelijk moet kunnen communiceren met de cliënten van de advocaat en het advocatenkantoor. Dit betreft een standpunt dat gelijk is aan het oordeel van de beroepscommissie in RSJ 19 april 2012, 11/4149/GA.

Voor zover wordt gesteld dat niet is gebleken van een noodzaak om vertrouwelijk telefonisch contact te moeten faciliteren, geldt dat daarmee wordt miskend dat de noodzaak ziet op de urgentie van het contactmoment op het moment dat de gedetineerde met de rechtsbijstandsverlener wenst te overleggen. In het licht daarvan kan bezwaarlijk worden gesteld dat op voorhand en in zijn algemeenheid reeds kan worden beoordeeld of het op enig moment noodzakelijk is dat de secretaresses en klager vertrouwelijk telefonisch contact hebben. Daarbij komt dat klager tijdens de mondelinge behandeling van het beklag op 27 september 2021 een voorbeeld heeft genoemd van een recente situatie waarbij het noodzakelijk was dat hij zijn rechtsbijstandsverlener vertrouwelijk kon spreken. Op ieder moment kan de noodzaak zich voordoen om, slechts in geval van onbereikbaarheid van de advocaat, vertrouwelijk overleg te kunnen hebben met de secretaresse.

Voor zover wordt gesteld dat klager beschikt over voldoende advocaten die voor hem te bereiken zijn, ontbeert die stelling een feitelijke grondslag. Anders dan gesuggereerd wordt door de inrichting, zijn de advocaten waarmee klager vertrouwelijk kan overleggen niet, althans zeer beperkt, en anders dan de secretaresses van [advocaat 1], op de hoogte van de inhoud van het dossier van het [proces] en de recente ontwikkelingen. Bovendien zijn deze advocaten eveneens zelden of niet bereikbaar, omdat zij vanuit de eigen praktijk verplichtingen hebben.

Voorts is de stelling dat de mogelijkheid van incidenteel vertrouwelijk telefonisch overleg tussen klager en de secretaresses van [advocaat 1] onverantwoorde veiligheidsrisico’s met zich meebrengt niet te volgen. De secretaresses in kwestie hebben een jarenlang dienstverband en vormen de stabiele basis van het advocatenkantoor van [advocaat 1]. Zij zijn ervaren krachten, hebben nooit aanleiding gegeven om ze op enigerlei wijze te doen wantrouwen en zijn kundig in de juridische werkzaamheden die zij verrichten, waaronder de inhoudelijke werkzaamheden in klagers strafzaak. De kring van personen waarmee klager bijwijlen vertrouwelijk contact kan hebben, wordt daarmee uitgebreid, maar daarmee is nog geen sprake van onverantwoorde veiligheidsrisico’s. Voorts biedt de Pbw noch andere wet- en regelgeving de directeur de mogelijkheid om het aantal rechtsbijstandsverleners waarmee klager vertrouwelijk wil kunnen overleggen te doen beperken. Praktijk is dat rechtsbijstandsverleners voorafgaand aan een eerste contactmoment met klager worden gescreend door het Gedetineerde Recherche Informatiepunt en dat vertrouwelijke toegang moet worden toegestaan op het moment dat er geen actuele, concrete en specifieke bezwaren zijn.

 

Standpunt van de directeur

De beslissing van de directeur om het verzoek van [advocaat 1], gedaan namens klager, af te wijzen is niet in strijd met wet- en regelgeving en evenmin onredelijk of onbillijk. Dat was al zo op het moment dat de beslissing werd genomen, maar is temeer het geval gelet op de recente ontwikkelingen omtrent de aanhouding van één van klagers (voormalige) advocaten. Er zijn sterke aanwijzingen dat klager het geprivilegieerde contact met deze advocaat heeft misbruikt om ongecontroleerd met de buitenwereld te communiceren. Zodoende heeft klager vermoedelijk zijn crimineel handelen voortgezet en een gewelddadige ontvluchting voorbereid. Klager verblijft juist in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) om dat te voorkomen. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) aangekondigd het beveiligingsregime van de EBI aan te scherpen, onder meer waar het gaat om het geprivilegieerd contact tussen EBI-gedetineerden en hun advocaten. Eén van die verscherpingen die de Minister voorstelt, is het alleen toegang geven tot EBI-gedetineerden van gekwalificeerde advocaten. Met deze ontwikkelingen valt niet te verenigen dat tegelijkertijd zou worden toegestaan dat de secretaresses van advocaten (dagelijks) geprivilegieerd contact hebben met EBI-gedetineerden.

Het regime van de EBI brengt met zich mee dat zo volledig mogelijk toezicht wordt uitgeoefend op de communicatie van gedetineerden met de buitenwereld. Op contact met de advocaat wordt (in beginsel) geen toezicht uitgeoefend. Deze uitzondering moet echter naar haar aard niet meer dan noodzakelijk worden uitgeoefend. Er bestaat geen noodzaak om het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ voor EBI-gedetineerden – en klager in het bijzonder – zo uit te leggen dat daaronder in algemene zin ook de secretaresses van advocaten vallen. Hiervoor bestaat onvoldoende steun in de wetsgeschiedenis van de Pbw en in relevante jurisprudentie. Er bestaat ook anderszins geen reden om geprivilegieerd contact toe staan, daar het verzoek van klager ontoereikend is gemotiveerd en het bovendien onaanvaardbare veiligheidsrisico’s oplevert als alle EBI-gedetineerden (structureel) geprivilegieerd contact mogen hebben met de secretaresses van hun advocaten. Dat geldt temeer voor klager, daar er sterke aanwijzingen zijn dat hij het geprivilegieerde contact met een (voormalig) advocaat heeft misbruikt.

In artikel 1, aanhef en onder i, van de Pbw wordt de rechtsbijstandverlener – voor zover hier relevant – gedefinieerd als ‘de advocaat’. Medewerkers van de advocaat worden in de Pbw niet als rechtsbijstandverlener aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis van de Pbw kan niet worden afgeleid dat aan de reikwijdte van dit begrip een bredere uitleg dient te worden gegeven, dus evenmin dat daaronder tevens de secretaresse moet worden begrepen. Het zou ook onwenselijk zijn om de secretaresse in alle gevallen als rechtsbijstandverlener in de zin van de Pbw te beschouwen, omdat dit onder meer tot gevolg zou hebben dat de secretaresse op grond van artikel 38, zevende lid, van de Pbw geprivilegieerd bezoek zou mogen brengen aan de gedetineerde in de inrichting.

Anders dan klager meent, kan uit RSJ 19 april 2012, 11/4149/GA, niet worden afgeleid dat in alle gevallen, althans in zijn geval, structureel geprivilegieerd contact mogelijk moet zijn tussen een gedetineerde en de secretaresse van een advocaat. Allereerst ging het in voornoemde zaak om het incidenteel doorgeven van een boodschap, hetgeen wezenlijk verschilt van het door klager verzochte structurele (blijkens het verzoek: dagelijkse) contact met de vier secretaresses. Voor zover klager betoogt dat hij slechts incidenteel contact beoogt, geldt dat dit niet blijkt uit het door [advocaat 1] gedane verzoek. Voorts zag voornoemde uitspraak niet op een gedetineerde die in EBI verbleef of ten aanzien van wie (voor zover bekend) anderszins sprake was van een extreem vluchtrisico en/of een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten of aanwijzingen van voortgezet crimineel handelen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat binnen een regulier regime in een normaal beveiligde inrichting doorgaans minder gelegenheid is voor telefonisch contact met advocaten dan in de EBI. In dat regime kan wel een noodzaak bestaan om een incidenteel telefonisch terugbelcontact met de secretaresse van de advocaat te faciliteren. Dat is daar ook minder bezwaarlijk, omdat het in een normaal beveiligde inrichting niet zonder meer noodzakelijk is om op alle contacten met de buitenwereld toezicht uit te oefenen. De verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:897, treft eveneens geen doel, daar dit arrest voor de in onderhavig beklag en beroep voorliggende vraag geen relevantie toekomt. Dat geldt tevens voor zover de Nederlandse Staat in die civiele procedure heeft verwezen naar het systeem van geheimhoudernummers en nummerherkenning. Daarmee is immers niet gezegd dat de secretaresse per definitie tevens rechtsbijstandverlener is of in alle gevallen geprivilegieerd contact moet kunnen hebben met gedetineerden.

De drukke agenda van [advocaat 1] biedt onvoldoende rechtvaardiging voor het toestaan van (structureel) geprivilegieerd contact tussen klager en diens secretaresses. Dat blijkt ook uit een eerdere uitspraak van de Commissie van Toezicht van 18 mei 2021, bekend onder beklagkenmerk VU 2021/338. De bijstand die klager wenst, vraagt contact met een advocaat, niet met een secretaresse. Klager wil immers (op dagelijkse basis) inhoudelijke zaken bespreken betreffende dossierstukken, zittingen, getuigenverhoren of detentieaangelegenheden. De ervaring van de secretaresses maakt nog niet dat zij op dit punt gelijk kunnen worden gesteld aan een advocaat. Het oordeel van de beklagrechter dat het onaannemelijk wordt geacht dat de secretaresses inhoudelijk meer dan klagers andere advocaten op de hoogte zouden zijn van klagers strafzaak is niet onbegrijpelijk. Klager wordt naast [advocaat 1] door twee advocaten van het hetzelfde kantoor bijgestaan. Hoewel klager stelt dat zij slechts beperkt werkzaamheden verrichten inzake het [proces], neemt dat niet weg dat beide advocaten voor de EBI zijn aangemerkt als rechtsbijstandverlener van klager en dat klager met hen geprivilegieerd telefonisch contact kan hebben. Als het op enig moment zou voorkomen dat alle drie de betrokken advocaten van dit kantoor onbereikbaar zijn, dan kan het personeel van de EBI een terugbelverzoek achterlaten, hetgeen in praktijk ook gebeurt. Als de betreffende advocaat van klager vervolgens terugbelt, dan wordt er als dat maar enigszins mogelijk is voor gezorgd dat klager beschikbaar is.

In de EBI wordt veel ruimte geboden voor contact met advocaten. Dit blijkt uit het feit dat klager bijna dagelijks – en met enige regelmaat meermaals per dag – telefonisch contact heeft met een of meer van zijn advocaten. Het recht van klager om het noodzakelijke contact te kunnen onderhouden met zijn rechtsbijstandverleners is dan ook bepaald gewaarborgd. In dat licht bestaat evenmin aanleiding om geprivilegieerd telefonisch contact met de secretaresses van [advocaat 1] te faciliteren.

Voor wat betreft de veiligheidsrisico's geldt dat het verzoek van klager niet als op zichzelf staand kan worden beschouwd. Instemming daarmee zou een precedent scheppen op grond waarvan ook andere EBI-gedetineerden aanspraak kunnen maken op geprivilegieerd contact met alle secretaresses van al hun advocaten. De kring van personen waarmee EBI-gedetineerden, die regelmatig worden bijgestaan door meerdere advocaten, ongecontroleerd (want geprivilegieerd) contact kunnen hebben wordt dan veel te groot. Dat zou in belangrijke mate afbreuk doen aan het beveiligingsregime van de EBI, op grond waarvan ter beperking van de (onaanvaardbare maatschappelijke) risico's op nagenoeg alle contacten van gedetineerden met de buitenwereld toezicht moet worden gehouden. Dat is onaanvaardbaar, temeer omdat gedetineerden niet lichtvaardig in de EBI worden geplaatst. Het voorgaande geldt zeker voor klager.

 

3. De beoordeling

Klager heeft de directeur verzocht om geprivilegieerd (ongecontroleerd) contact te mogen onderhouden met de secretarieel medewerkers die verbonden zijn aan zijn advocaat [advocaat 1]. De directeur heeft dit verzoek afgewezen. Klager meent dat de afwijzing onterecht is, omdat de secretaresses moeten worden gezien als rechtsbijstandsverleners met wie klager geprivilegieerd contact mag onderhouden.

De vraagstukken waar de beroepscommissie zich allereerst over dient te buigen, is of een secretaresse van een advocaat kan worden aangemerkt als een rechtsbijstandverlener zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i, van de Pbw en in het verlengde daarvan of die secretaresse kan worden gerekend tot de categorie ‘geprivilegieerde personen’ zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Pbw. Wanneer die vragen bevestigend zouden worden beantwoord, kan een gedetineerde in staat worden gesteld met een secretaresse van een advocaat ongecontroleerd telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat, zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Pbw. De beroepscommissie overweegt als volgt.

 

Reikwijdte begrip ‘rechtsbijstandverlener’

De beroepscommissie stelt voorop dat (in het algemeen) een secretaresse van een advocaat een afgeleid verschoningsrecht toekomt, omdat de plicht van de advocaat tot geheimhouding anders in belangrijke mate illusoir zou zijn. Dit gelet op de voor de advocaat bestaande noodzaak om de secretaresse bij zijn of haar werkzaamheden te betrekken. 

Artikel 39, vierde lid, van de Pbw bepaalt dat de gedetineerde in staat wordt gesteld om met de in artikel 37, eerste lid, van de Pbw genoemde personen en instanties telefonisch contact te hebben, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat. Op deze gesprekken wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan noodzakelijk is om de identiteit van de personen of instantie met wie de gedetineerde een telefoongesprek voert of wenst te voeren vast te stellen.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef onder j, van de Pbw betreft de rechtsbijstandverlener van de gedetineerde een geprivilegieerd persoon. Het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ wordt in artikel 1, aanhef en onder i, van de Pbw gedefinieerd als – voor zover hier van belang – ‘de advocaat’. Uit de memorie van toelichting bij de Pbw volgt geen nadere toelichting op het begrip ‘rechtsbijstandverlener’. De Pbw geeft geen blijk van een bedoeling tot ruimere interpretatie van het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ anders dan een advocaat, in die zin dat hieronder mede personen met een afgeleid verschoningsrecht zouden moeten worden verstaan.

Naar het oordeel van de beroepscommissie is voornoemde ruimere interpretatie – anders dan het gerechtshof Den Haag in ECLI:NL:GHDHA:2021:897 heeft overwogen  en los van de omstandigheid dat klager in de EBI verblijft – ook niet de bedoeling (geweest) van de wetgever. Uit de memorie van toelichting bij de Pbw volgt immers dat de geprivilegieerde positie van de in artikel 37 van de Pbw genoemde personen en instanties voor zowel het corresponderen, het bezoeken als het telefoneren van en met gedetineerden geldt.  Indien personen met een afgeleid verschoningsrecht zouden worden aangemerkt als een rechtsbijstandverlener zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder j, van de Pbw, dan zou dit betekenen dat iedere persoon in deze categorie – waaronder bijvoorbeeld ook deskundigen – niet alleen geprivilegieerd telefonisch contact mogen hebben met gedetineerden, maar ook toegang hebben tot gedetineerden in de inrichting en zich in beginsel vrijelijk met gedetineerden kunnen onderhouden. Dit recht acht de beroepscommissie voorbehouden aan de advocaat.

De beroepscommissie komt tot de eerste tussenconclusie dat een secretaresse van een advocaat niet onder de reikwijdte van het begrip ‘rechtsbijstandverlener’ valt, en daardoor niet als een geprivilegieerd persoon kan worden aangemerkt. Daarom bestaat er tussen een secretaresse en een gedetineerde geen (recht op) geprivilegieerd contact.

In RSJ 19 april 2012, 11/4149/GA, werd door een gedetineerde geklaagd over het eenmalig niet mogen doorgeven van een boodschap aan de secretaresse van de advocaat, na een mislukte poging om de advocaat te bereiken. In die uitspraak heeft de beroepscommissie geoordeeld dat onder geprivilegieerd contact met de advocaat tevens moet worden verstaan een contact met de secretaresse van de advocaat.

De beroepscommissie onderkent dat voornoemde uitspraak afwijkt van het eerdere oordeel en biedt met deze uitspraak duidelijkheid.

 

Contact secretaresse en gedetineerde

Het voorgaande leidt tot het volgende vraagstuk, namelijk hoe het contact tussen een secretaresse van een advocaat en een gedetineerde moet worden aangemerkt.

Uit het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, de Regeling op de advocatuur en de Verordening op de advocatuur en de daarbij behorende toelichtingen leidt de beroepscommissie af dat het doorkiesnummer van de secretaresse, die een van de advocaat afgeleid verschoningsrecht heeft, (in beginsel) als geheimhoudernummer onder het systeem van nummerherkenning van de nationale politie valt en dat het systeem van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) technisch aansluit op de wijze waarop de Nederlandse orde van advocaten nummers van advocaten in een bestand verzamelt en verstrekt aan de politie in het kader van de nummerherkenning bij de politie. Het DJI-systeem brengt met zich mee dat als een gedetineerde belt met een aan DJI doorgegeven nummer van een advocaat, de opname van het gesprek automatisch wordt geblokkeerd. De beroepscommissie begrijpt hieruit dat indien een gedetineerde belt met een secretaresse van een advocaat – op een daartoe door de advocaat verstrekt geheimhoudernummer – er automatisch geen toezicht op het gesprek kan worden uitgeoefend door de inrichting.

Door of namens een gedetineerde zal teneinde zijn recht op geprivilegieerd contact te kunnen bewerkstelligen doorgaans ofwel rechtstreeks naar de advocaat ofwel naar het advocatenkantoor worden gebeld. Bij laatstgenoemde zal in veel gevallen een secretaresse de gedetineerde of de inrichtingsmedewerker te woord staan, deze doorverbinden met de advocaat of vermelden dat de advocaat niet aanwezig is (waarop een terugbelverzoek kan worden gedaan). De omstandigheid dat een secretaresse, als voorportaal van de rechtsbijstandverlener, hierdoor (aanvankelijk) in contact komt met de gedetineerde, dient er naar het oordeel van de beroepscommissie niet toe te leiden dat dit als geprivilegieerd contact in de zin van de Pbw moet worden aangemerkt. De achterliggende gedachte van artikel 39, vierde lid, van de Pbw is immers dat de gedetineerde, indien hiervoor de noodzaak en de gelegenheid bestaat, in contact komt met zijn of haar rechtsbijstandverlener, in casu de advocaat.

Gelet op het voorgaande en op de eerste getrokken tussenconclusie, komt de beroepscommissie thans tot de tweede en laatste tussenconclusie, inhoudende dat het contact tussen een secretaresse van een advocaat en een gedetineerde moet worden gezien als praktisch of ‘advocaat en gedetineerde faciliterend’ contact. Immers, een secretaresse is geen rechtsbijstandverlener, terwijl deze wegens een afgeleid verschoningsrecht op grond van het systeem van nummerherkenning zonder extern toezicht telefonisch wel contact kan hebben met de gedetineerde. Het contact komt voort uit en staat in dienst van de ondersteunende rol die de secretaresse ten opzichte van de advocaat vervult. Zo kan via de secretaresse een terugbelverzoek aan de advocaat worden gedaan.

 

Eindconclusie

De secretaresse van de advocaat kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet worden aangemerkt als ‘rechtsbijstandsverlener’ zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder j, van de Pbw. Een gedetineerde heeft daarom geen recht op geprivilegieerd contact met de secretaresse van zijn of haar advocaat zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Pbw. Dat gelet op de praktijk sprake is van een afgeleid verschoningsrecht, waarbij soms contact tussen een gedetineerde en een secretaresse van een advocaat tot stand komt, rechtvaardigt niet de conclusie dat daarmee eveneens sprake is van een recht op geprivilegieerd contact met de secretaresse dat gelijk is aan het recht op geprivilegieerd contact met de advocaat zoals bedoeld in de Pbw.     

Al het voorgaande tezamen genomen en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de afwijzing van het namens klager gedane verzoek om geprivilegieerd contact te mogen onderhouden met de secretarieel medewerkers van zijn advocaat niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter bevestigen, met wijziging van de gronden.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter, met wijziging van de gronden.

 

 

Deze uitspraak is op 28 maart 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. A. van Holten, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. D.R. Sonneveldt, leden, bijgestaan door de secretaris.

 

            voorzitter

 

Naar boven