Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7478/GA, 31 maart 2022, beroep
Uitspraakdatum:31-03-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer           R-20/7478/GA            

Betreft              [klager]

Datum              31 maart 2022

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft voor zover in beroep aan de orde beklag ingesteld tegen de beslissing tot het niet langer toestaan van bezoek zonder toezicht (BZT).

De beklagrechter bij de PI Ter Apel heeft op 2 juli 2020 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €25,- (Ta 2020-37). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de directeur en klagers raadsvrouw mr. M.C. Pedrotti in de gelegenheid gesteld de standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

Het is niet duidelijk geworden om welke reden volgens de beklagrechter sprake is van een bijzonder geval. Er is terecht geoordeeld dat klager met de aangeleverde documenten (motivatiebrief, bezoekersregistratie en de brief van klagers partner) onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een duurzame en hechte relatie. De relatie is tijdens detentie ontstaan. In klagers brief worden slechts toekomstplannen geschetst die door klager of zijn partner niet nader worden onderbouwd met bewijsstukken. Het wordt niet duidelijk of de relatie na detentie ook daadwerkelijk zal blijven voortbestaan. Klagers partner geeft aan dat het voor haar niet mogelijk is om met klager mee te gaan naar zijn land van herkomst bij uitzetting. Er is een belangenafweging gemaakt en terecht tot een afwijzende beslissing gekomen.

Standpunt van klager

Klager heeft het standpunt in beroep niet toegelicht.

 

3. De beoordeling

Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft een gedetineerde het recht om gedurende ten minste één uur per week op in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen bezoek te ontvangen. Bij langer gedetineerden wordt onder bepaalde voorwaarden ook BZT toegestaan, waarbij eventueel seksueel contact mogelijk is. BZT is geen recht op grond van de Pbw. Op grond van artikel 3.8.1 van de huisregels van de PI Ter Apel kan een gedetineerde die in het gevangenisregime verblijft maximaal twee uren en drie kwartier BZT per maand ontvangen. In dit artikel staan de nadere criteria om voor BZT in aanmerking te komen. Artikel 3.8.1 van de huisregels is volgens de directeur per 15 november 2019 gewijzigd en de voorwaarden zijn aangescherpt. Een gedetineerde die voor 15 november 2019 maandelijks BZT heeft genoten en daar na 15 februari 2020 van gebruik wilde blijven maken, werd tot en met 15 februari 2020 in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat aan de nieuwe voorwaarden werd voldaan.

Artikel 3.8.1, eerste tot en met derde lid, van de huisregels van de PI Ter Apel luidt:

Om voor BZT in aanmerking te komen dient u te voldoen aan de volgende criteria:

1.  U verblijft gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden in één of meerdere normaal beveiligde penitentiaire inrichtingen zijnde gevangenis of HvB;

2.  Het BZT draagt, naar het oordeel van de directeur, redelijkerwijs bij tot het behoud of het versterken van de band tussen u en uw partner en is van belang voor de terugkeer van u in een samenleving/uw land van herkomst;

3.  De band tussen u en uw partner is naar het oordeel van de directeur hecht en duurzaam. Om in aanmerking te komen voor BZT dient u zelf bewijsstukken aan te leveren waaruit blijkt dat sprake is van een hechte en/of duurzame relatie tussen u en uw partner. Een hechte en/of duurzame relatie wordt aangenomen, indien:

*   bewijsstukken kunnen worden aangeleverd van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een samenlevingsverband (in de vorm van een samenlevingscontract) tussen u en uw partner;

*   een uittreksel van het bevolkingsregister of een ander bewijs wordt aangeleverd waarmee kan worden aangetoond dat uw partner op hetzelfde woonadres staat ingeschreven;

*   Een geboorteakte wordt aangeleverd waaruit blijkt dat u en uw partner samen een kind hebben;

*   Een bewijs wordt aangeleverd waaruit blijkt dat u en uw partner bij het pensioenfonds staan ingeschreven als pensioenpartners;

*   Een bewijs wordt aangeleverd waaruit blijkt dat u en uw partner beide eigenaar zijn van dezelfde woning;

*   Een bewijs wordt aangeleverd waaruit blijkt dat er op het adres van of uzelf of uw partner een minderjarig kind van ofwel uzelf of uw partner staat ingeschreven;

*   Indien één van bovengenoemde zaken niet aangetoond kan worden, is het aan uzelf om op een andere wijze aan te tonen dat er sprake is van een hechte en duurzame relatie. In die gevallen is het altijd aan de directeur om te besluiten al dan niet toestemming voor BZT te geven.

Uit het voorgaande volgt dat, indien geen bewijsstuk kan worden overgelegd, er voor een gedetineerde de mogelijkheid is om de duurzame en hechte band met zijn partner op een andere wijze aan te tonen. De directeur dient dan een individuele belangenafweging te maken. De beroepscommissie heeft eerder overwogen dat in dat kader bijvoorbeeld kan worden gekeken naar bezoekersoverzichten, telefoongesprekken en verklaringen van de gedetineerde richting het personeel (RSJ 22 juni 2020, R-19/5606/GA).

Door en namens klager is naar voren gebracht dat de relatie in 2016 tijdens detentie is ontstaan. Zijn partner is in de periode van 25 mei 2016 tot en met 15 januari 2020 in totaal 36 keer op bezoek geweest waarvan 21 keer in het kader van BZT. Zij is overigens ook klagers enige bezoeker. Door klager is tevens een door hem geschreven motivatiebrief en een motivatiebrief afkomstig van zijn vriendin overgelegd.

De directeur heeft klagers verzoek tot voortzetting van het BZT na 15 februari 2020 afgewezen, omdat klager volgens de directeur met de door hem overgelegde motivatiebrief, de bezoekersregistratie en de brief van zijn partner onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een duurzame en hechte relatie tussen hem en zijn partner. De directeur heeft daarbij betrokken dat klager na zijn detentie zal worden uitgezet en onvoldoende is komen vast te staan dat de relatie na detentie zal voorbestaan en zal bijdragen aan re-integratie en delictvrije toekomst.

Anders dan de directeur heeft gesteld, staat in de motivatiebrief weliswaar dat zijn vriendin in verband met werk en studie niet direct met klager mee kan op het moment dat hij wordt uitgezet naar de Dominicaanse Republiek, maar zij vermeldt daarin tevens dat dit naar verwachting een tijdelijke situatie zal zijn en dat zij als koppel verder willen gaan. Namens klager is ook bevestigd dat zij van plan zijn om samen te gaan wonen en een familie te stichten.

Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de beroepscommissie van oordeel dat in redelijkheid moet worden aangenomen dat sprake is van een hechte en duurzame relatie tussen klager en zijn partner.

In het kader van een humane tenuitvoerlegging van detentie is het van belang om de relatie met een partner te kunnen onderhouden en te versterken. BZT draagt daar redelijkerwijs aan bij. Het onderhouden en versterken van de relatie is in beginsel ook van belang voor de terugkeer in de samenleving of het land van herkomst. Of een relatie na detentie zal standhouden is een factor die zich hoe dan ook moeilijk laat voorspellen, zodat naar het oordeel van de beroepscommissie daaraan bij de door de directeur te maken belangenafweging geen doorslaggevend belang kan worden gehecht.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, wordt de beslissing van de directeur om klager niet langer BZT toe te staan als onredelijk en onbillijk aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren en de uitspraak van de beklagrechter bevestigen voor zover in beroep aan de orde, met wijziging van de gronden.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter voor zover in beroep aan de orde met wijziging van de gronden.

Deze uitspraak is op 31 maart 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. T.B. Trotman, voorzitter, U.P. Burke en mr. R. Raat, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven