Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 22/26441/SGA, 17 maart 2022, schorsing
Uitspraakdatum:17-03-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer           22/26441/SGA

Betreft              [verzoeker]

Datum              17 maart 2022

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van  [verzoeker] (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

De directeur van de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Middelburg (hierna: de directeur) heeft beslist om verzoeker niet te promoveren naar het plusprogramma voor de duur van twaalf weken.

Verzoekers raadsman, mr. T.S. van der Horst, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van de mededeling van de secretaris van de beklagcommissie dat het schorsingsverzoek zal worden ingeschreven als klaagschrift (MB-2022-99).

 

2. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Namens verzoeker is aangevoerd dat de directeur op basis van een onjuist feitencomplex tot besluitvorming is gekomen, aangezien verzoeker ten tijde van de besluitvorming in het plusprogramma verbleef en niet in het basisprogramma. Daarmee vervalt volgens verzoeker de grondslag voor het “Besluit naar aanleiding van ontoelaatbaar gedrag in basisprogramma – gevangenis”. Ten aanzien van de periode van twaalf weken uitsluiting is aangevoerd dat de beslissing op dit onderdeel een motiveringsgebrek kent en zodoende niet in stand kan blijven.

De voorzitter overweegt als volgt. Uit de schriftelijke beslissing komt naar voren dat verzoeker in het basisprogramma verbleef als gevolg van fraude bij een urinecontrole (‘ontoelaatbaar gedrag’ als bedoeld in bijlage I van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling)) en daarom voor de duur van twaalf weken niet in aanmerking komt voor het plusprogramma. In de beslissing staat dat deze op grond van artikel 1d, eerste lid, van de Regeling is genomen. De voorzitter begrijpt uit de schriftelijke inlichtingen van de directeur dat de termijn van twaalf weken naar aanleiding van het schorsingsverzoek wordt bijgesteld naar zes weken. De voorzitter constateert dat – hoewel de directeur bij verweer stelt dat sprake is van een degradatiebeslissing op grond van artikel 1d, vijfde lid, van de Regeling – dit niet uit de aan verzoeker uitgereikte beslissing naar voren komt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter volgt uit de bestreden beslissing dat verzoeker is uitgesloten van plaatsing in het plusprogramma op grond van artikel 1d, eerste lid, van de Regeling. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter berust de bestreden beslissing op een onjuiste grondslag. Gelet op het voorgaande zal de voorzitter het verzoek toewijzen en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing schorsen met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment waarop de beklagcommissie op het onderliggende beklag heeft beslist.

Deze uitspraak is op 17 maart 2022 gegeven door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, bijgestaan door mr. Y.P. Schleijpen, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven