Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/19943/GA, 22 juli 2022, beroep
Uitspraakdatum:22-07-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          21/19943/GA

    

           

Betreft [klager]

Datum 22 juli 2022

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om bezoek zonder toezicht (BZT).

De beklagrechter bij de locatie De Schie te Rotterdam heeft op 10 februari 2021 klager niet ontvankelijk verklaard in zijn beklag (S-2020-777). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. A.G. Emsbroek, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de locatie De Schie (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De afwijzing van klagers verzoek om BZT is in strijd met zijn recht op familieleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De beslissing heeft ingrijpende gevolgen voor klager. BZT is voor klager noodzakelijk om een gezin te kunnen stichten. Klagers partner heeft een kinderwens. Klagers partner is 38 jaar en er lijkt vooralsnog geen einde te komen aan de coronamaatregelen, dus de tijd dringt. Het afwijzen van BZT is daarom disproportioneel, onredelijk en onbillijk. Klager is bereid om zowel voor als na het BZT in quarantaine te gaan en zelf te betalen voor coronatesten. Bovendien had klager in beklag wel gehoord moeten worden, zodat hij de urgentie en het belang van zijn verzoek had kunnen onderbouwen.

Sinds begin april 2021 is de vader-kinddag weer van start gegaan. Daarbij is het de bedoeling dat gedetineerden voor en na bezoek in quarantaine gaan en ook getest worden. Verder is normaal bezoek van twee volwassenen en een kind weer toegestaan. Ook zijn de verloven weer toegestaan, mits de gedetineerde daarna in quarantaine gaat. Het is niet duidelijk waarom een dergelijk protocol bij het BZT niet mogelijk zou zijn. Op 9 juni 2021 is klager gevaccineerd en ook klagers partner wordt op 14 juni 2021 gevaccineerd. Dat maakt het risico op een coronabesmetting veel minder urgent, zo niet onmogelijk.

 

Standpunt van de directeur

De directeur begrijpt de behoefte en de wens van klager, maar ziet helaas geen ruimte om af te wijken van een door de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) opgelegd besluit. De directeur verwijst naar het verweerschrift in beklag en het besluit van de Minister van 6 oktober 2020. Tot op het moment van schrijven van de reactie op het beroepschrift (11 juni 2021) is er nog geen berichtgeving gekomen van de Minister dat deze regel versoepeld wordt.

 

3. De beoordeling

Voor zover klager heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in de beklagprocedure, overweegt de beroepscommissie als volgt. Uit artikel 62, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) in samenhang met artikel 64, eerste lid, van de Pbw volgt dat de voorzitter, dan wel een door hem aangewezen lid van de beklagcommissie, indien hij het beklag van eenvoudige aard, dan wel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht, als enkelvoudig lid van de beklagcommissie het klaagschrift kan afdoen en in dat geval klager en de directeur niet in de gelegenheid hoeft te stellen om mondelinge opmerkingen te maken. Van deze bevoegdheid is gebruikgemaakt en de beroepscommissie treedt in het algemeen niet in de beoordeling hiervan.

 

Ontvankelijkheid in beklag

De klacht is gericht tegen de afwijzing van klagers verzoek om BZT, vanwege de getroffen coronamaatregelen. De beslissing om klagers verzoek af te wijzen betreft een door of namens de directeur jegens klager genomen beslissing in de zin van artikel 60, eerste lid, van de Pbw. De beroepscommissie zal daarom de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en klager alsnog ontvankelijk verklaren in zijn beklag. De beroepscommissie zal om proceseconomische redenen als enige en hoogste instantie inhoudelijk op het beklag beslissen.

 

Inhoudelijke beoordeling

Per 14 maart 2020 zijn door de Minister alle bezoeken in justitiële inrichtingen opgeschort om de (verdere) verspreiding van het coronavirus tegen te gaan (Kamerstukken II, 2019/20, 24587 en 25295, nr. 763). Hiermee is ook het BZT opgeschort. Ten tijde van de afwijzing van klagers verzoek om BZT op 3 november 2020 gold deze maatregel nog steeds. De directeur heeft besloten niet af te wijken van de maatregel.

De beroepscommissie begrijpt dat BZT voor klager noodzakelijk is met betrekking tot klagers kinderwens. Een bepaalde mate van beperking van familieleven is echter inherent aan detentie. De coronasituatie ten tijde van de afwijzing van het BZT - en het pogen te voorkomen van coronabesmettingen door het beperken van contactmomenten - rechtvaardigde de beperking van klagers recht op familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dat ouder kindbezoeken en verloven op een gegeven moment weer werden toegestaan, maakt niet dat de afwijzing van het BZT op 3 november 2020 in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de beslissing van de directeur om klagers verzoek af te wijzen niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beklag zal ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagrechter, verklaart klager alsnog ontvankelijk in zijn beklag, maar verklaart dit beklag ongegrond.

 

 

Deze uitspraak is op 22 juli 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. T.B. Trotman, voorzitter, mr. R. Raat en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

 

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven