Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7471/GA, 16 maart 2022, beroep
Uitspraakdatum:16-03-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/7471/GA

Betreft              [klager]

Datum              16 maart 2022

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft - voor zover in beroep aan de orde - beklag ingesteld tegen het kwijtraken van zijn horloge bij een strafcelplaatsing.

De beklagrechter bij het JC Zaanstad heeft op 30 juni 2020 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €35,- (ZS-ZO-2019-238). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de directeur en klager in de gelegenheid gesteld de standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

De uitspraak van de beklagrechter is gebaseerd op een enkel vermoeden dat klager wel een horloge had. De directeur heeft voldoende aangetoond dat klager bij zijn plaatsing in de strafcel geen horloge om had. Dit is bevestigd door de commandant van het Intern Bijstandsteam (IBT). Daarnaast kan het horloge niet zijn afgenomen door het personeel op klagers leefafdeling, omdat klager na 23:00 uur in de avond in de strafcel is geplaatst.

Standpunt van klager

Klager heeft het standpunt in beroep niet toegelicht.

 

3. De beoordeling

Uit de stukken blijkt dat klager op het moment van plaatsing in de strafcel geen horloge droeg. Klager stelt dat zijn horloge is afgenomen op zijn eigen afdeling. Hij werd uit zijn cel gehaald en met zijn gezicht tegen de muur gezet door iemand van het IBT. Hij heeft daarom niet kunnen zien wie het horloge heeft afgedaan. De directeur heeft in beklag naar voren gebracht dat bij navraag bij de IBT-commandant is gebleken dat het rapport compleet was. Dit houdt in dat tijdens het IBT-optreden geen sieraden van klager zijn afgenomen.

Het dossier biedt verder geen aanknopingspunten die kunnen leiden tot de conclusie dat klagers horloge op zijn eigen afdeling door het IBT of door het personeel op de afdeling is afgenomen. De enkele stelling van klager acht de beroepscommissie onvoldoende onderbouwd om die conclusie op te baseren. Dat de beklagrechter uit eigen wetenschap bekend is dat het merendeel van de gedetineerden een horloge draagt, maakt dat oordeel in deze concrete zaak niet anders.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen voor zover in beroep aan de orde en het beklag alsnog ongegrond verklaren. De grondslag voor de door de beklagrechter aan klager toegekende tegemoetkoming komt daarmee te vervallen.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is op 16 maart 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. T.B. Trotman, voorzitter, U.P. Burke en mr. R. Raat, leden, bijgestaan door mr. A. Laagland, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven