Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/19483/GA, 2 maart 2022, beroep
Uitspraakdatum:02-03-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer      21/19483/GA        

Betreft          [klager]      

Datum          2 maart 2022

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur) 1. De procedure [klager] (hierna: klager) heeft, voor zover in beroep aan de orde, beklag ingesteld tegen de toepassing van disproportioneel geweld bij zijn plaatsing in een strafcel.

De beklagcommissie bij het JC Zaanstad heeft op 14 januari 2021 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €50,- (ZS-ZW-2020-293). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft […], plaatsvervangend directeur van het JC Zaanstad, gehoord op de zitting van 11 november 2021 in het JC Zaanstad.

Klagers raadsman, mr. T.H. Kapinga heeft zich schriftelijk afgemeld voor de zitting. Hoewel klager, die zich inmiddels in vrijheid bevindt, op behoorlijke wijze was opgeroepen, is hij niet ter zitting verschenen.

2.      De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

De directeur is het niet eens met de uitspraak van de beklagcommissie. Tweemaal is de gang van zaken schriftelijk vastgelegd. Eenmaal in een rapport en eenmaal in een Intern Bijstand Team (IBT-)verslag. Er is niet in de verslagen omschreven welke handelingen tot het letsel zouden hebben geleid omdat er, zoals in de reactie van 24 november 2020 al is aangegeven, geen letsel bekend was. Er was geen zichtbaar letsel, klager heeft hierover ook niets aangegeven bij de medische dienst en daarbij blijkt dit ook niet uit het rapport of het IBT- verslag.

Tevens geeft de beklagcommissie aan dat gesteld noch gebleken is dat klager medewerking heeft geweigerd aan en/of zich heeft verzet tijdens de overplaatsing naar de strafcel. Dit is onjuist.

In zijn reactie van 24 november 2020 geeft de directeur aan dat klager provocerend en agressief gedrag vertoonde jegens de IBT-leden en een slaande beweging maakte waarbij hij een IBT-lid op zijn bovenarm heeft geraakt. Tevens verwijst de directeur in deze reactie naar zijn reactie inzake een beklag van klager dat samenhangt met het onderhavige beklag. Hierin geeft hij nog aan dat het personeel klager op afstand probeerde te houden, klager het betreffende personeelslid kon aanraken en dit gegeven wat hem betreft al aangeeft dat klager niet voldoende afstand hield uit eigen beweging. Een slaande beweging waarbij het personeelslid is geraakt, bevestigt dit en is daarbij onacceptabel. Klager volgde de instructies van het IBT niet op, weigerde daarmee medewerking en gedroeg zich provocerend en agressief. Zo is eerst de instructie aan hem gegeven zijn handen op zijn hoofd te leggen. Dit weigerde klager. Om die reden werd hij vervolgens met gepast geweld onder controle gebracht. Dit hield in het geval van klager in dat hij naar de grond werd gebracht omdat hij zich hevig verzette en vervolgens is geboeid. Nergens is inderdaad vermeld dat hij weigerde medewerking te verlenen tijdens het overplaatsen naar de strafcel of zich heeft verzet tijdens het overplaatsen naar de strafcel. Echter, nergens is ook uit gebleken dat er geweld zou zijn toegepast door het IBT tijdens het overplaatsen naar de strafcel. Alleen uit het verhaal van klager.

Met ‘korter van stof’ heeft de directeur slechts willen zeggen dat op de eerste plaats een IBT- team per definitie niet in discussie gaat, maar aanwijzingen geeft die opgevolgd moeten worden. Daarbij was op de tweede plaats op meerdere werkzalen een inspectie geweest en dat gaf al veel verbale weerstand van de gedetineerden. Met ‘korter van stof’ bedoelde de directeur ook dat de actie strakker gestructureerd werd om verder oponthoud te voorkomen. Het credo was: luisteren en aanwijzingen opvolgen. Daarbij heeft de directeur de verklaring van het IBT met betrekking tot de vuistslag niet zomaar terzijde geschoven als zijnde niet waarschijnlijk. Wel zijn de camerabeelden terug gekeken en was niet duidelijk te zien of klager een vuistslag maakte. Het leek in ieder geval op wegduwen/een afwerende beweging. Hierbij wil de directeur benadrukken dat er geen geluid bij de beelden zit. Daarbij is het niet vreemd dat een dergelijke beweging door het IBT als een vuistslag werd ervaren.

Ter zitting heeft de directeur nader toegelicht dat als er geen sprake is van letsel, er niet een uitgebreid schriftelijk verslag wordt opgemaakt. Tenzij er iets uitzonderlijks aan de hand is, maar dat was niet aan de orde. De IBT-leden gaan tot actie over nadat meerdere malen gevraagd is om mee te werken. Er is dan geen ruimte voor discussie. Daarnaast heeft de directeur weersproken dat, zoals klager stelt, een nekklem bij hem is toegepast. De directeur heeft aangegeven dat de medische dienst klager vier keer heeft gezien in de isoleercel en dat als er verwondingen bij klager waren, de medische dienst die had opgemerkt.

Standpunt van klager

Klager persisteert bij zijn standpunt in beklag en ter zitting bij de beklagcommissie. Klager heeft in zijn klaagschrift aangevoerd dat hij een discussie kreeg met één of meer bewaarders tijdens een spitactie door het IBT op de arbeidszaal. Een bewaarder maakte op een dreigende manier kenbaar dat klager achter een blauwe lijn moest gaan staan. De bewaarder bleef het – tot vijfmaal toe - benaderen en raakte klager meerdere malen aan om hem achteruit te duwen en schreeuwde dat klager achteruit moest, maar klager stond al anderhalve meter achter de lijn en deed nog stappen achteruit. Klager kon niet verder achteruit, omdat hij dan tegen een andere gedetineerde aan zou komen. Klager heeft geprobeerd dat duidelijk te maken en dat de bewaarder ook afstand moest houden. Daarna ging alles heel snel. Vervolgens lag klager op de grond met zes bewaarders op hem. Klager werd geslagen en met veel geweld geboeid. Zelfs toen klager geboeid op de grond lag en aangaf dat hij zou meewerken, stopte het geweld niet. Klager voelde meerdere malen een knie in zijn rug en een elleboog in zijn nek en er werd een nekklem toegepast. Tijdens de overplaatsing naar de isoleercel werd ook geweld gebruikt. Klager werd met zijn hoofd tegen de wand van de lift geduwd en hij voelde weer een elleboog in zijn rug waardoor hij op de grond viel. In de isoleercel werd klager op de grond gegooid, werd er weer een nekklem toegepast en met geweld zijn kleren van zijn lichaam getrokken. Zijn armen waren blauw van de striemen en hij had schaafwonden op zijn ellebogen en op zijn knieën. Klager had last van zijn rug en nek. In aanvulling daarop heeft klager ter zitting van de beklagcommissie verklaard dat hij tegen een tafel aanstond en geen kant meer op kon. Op dat moment maakte klager een gebaar (een beweging met de arm) dat de bewaarder afstand moest houden. Hoewel het misschien leek alsof klager de bewaarder op de arm sloeg, was dat niet zo. Klager heeft gevraagd of de camerabeelden bekeken konden worden, maar dit is geweigerd. De medische dienst is bij klager geweest maar die heeft alleen gevraagd of hij nog wat vragen had. Klager trilde hevig met zijn handen en benen en gaf aan dat hij duizelig en misselijk was. De medische dienst heeft alleen aangeboden om aspirine te verstrekken en heeft klager niet verder onderzocht.

3.      De beoordeling

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), is de directeur bevoegd jegens een gedetineerde geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden met het oog op de in dit artikel genoemde gronden, waaronder (a) de handhaving van de orde of de veiligheid en (b) de uitvoering van een door de directeur genomen beslissing.

Op grond van artikel 1, onder d, van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen (hierna: de Geweldsinstructie) wordt met geweld elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken bedoeld. In artikel 9, eerste lid, van de Geweldsinstructie is bepaald dat de ambtenaar of medewerker die geweld heeft gebruikt of vrijheidsbeperkende middelen heeft aangewend, dit onverwijld schriftelijk meldt aan de directeur.

Op de directeur rust de zorgplicht dat een gedetineerde niet wordt blootgesteld aan nodeloos geweld.

In het schriftelijk verslag van 1 oktober 2020 is over het voorval – voor zover van belang – door de rapporteur het volgende opgenomen:

“Omstreeks 14:30 uur waren wij van het IBT/BHv team belast met het spitten van de arbeidszalen op de west. Bij deze gelegenheid waren wij bezig met het uitvoeren van veiligheidsfouilleringen toen gedetineerde voornoemd (beroepscommissie: klager) heel provocerend en agressief richting het personeel was. Ik gaf hem daarbij de opdracht afstand te houden zodat de collega’s in alle rust hun werk konden uitoefenen. Na hem meerdere malen een grens te hebben aangegeven tot waar hij zich mocht begeven maakte die een slaande beweging richting mij om mijn hand af te wenden. Bij die handeling raakte gedetineerde voornoemd mij vol op de bovenarm. Ten gevolge hiervan heb ik proportioneel geweld toegepast om gedetineerde onder controle te krijgen waarna hij vervolgens door mij en het IBT team werd overgeplaatst naar de isoleer afdeling van de GW”.

Daarnaast is verslag gedaan middels een rapportageformulier IBT waarin staat aangekruist dat er proportioneel geweld is toegepast, dat er geen zichtbaar letsel bij de justitiabele was en dat er transportboeien zijn toegepast. In de toelichting staat het volgende vermeld:

“Op 1 oktober 2020 is mij gevraagd om de commandant te zijn bij de inzet met de hond op de werkzalen op Zuid en West. Op de werkzaal 9 werkte één gedetineerde niet mee aan de procedures en is vervolgens op de iso geplaatst. Betreffende gedetineerde Arbeid West: […]”.

De beroepscommissie overweegt als volgt. Klager is met geweld onder controle gebracht en geboeid omdat hij de instructies niet opvolgde en zich provocerend en agressief gedroeg, en naar de isoleercel overgeplaatst. De camerabeelden zijn door de directeur bekeken en daarop was volgens de directeur niet duidelijk te zien of klager een vuistslag maakte, maar wel leek het op wegduwen of een afwerende beweging. Uit de omstandigheid dat er geen uitgebreidere verslaglegging is van alle (gewelds)handelingen leidt de beroepscommissie, gelet op de toelichting van de directeur, af dat er geen sprake was van een uitzonderlijke situatie en dat er geen zichtbaar letsel bij klager was. In het schriftelijk verweer op het beklag heeft de directeur aangegeven dat hem tijdens het horen van klager ook geen zichtbare verwondingen zijn opgevallen en dat uit navraag bleek dat geen van de IBT-leden de door klager geschetste gang van zaken met betrekking tot het toepassen van geweld herkende. De beroepscommissie is van oordeel dat het schriftelijk verslag en het rapportageformulier IBT in combinatie met de toelichting van de directeur in voldoende mate weerspreekt dat het onder controle brengen en overbrengen van klager naar de isoleercel met meer geweld heeft plaatsgevonden dan gelet op de omstandigheden noodzakelijk was en dat onvoldoende aannemelijk is dat het toegepaste geweld als disproportioneel kan worden gekwalificeerd. Als daarvan wel sprake zou zijn, zoals klager stelt, zou dat door het IBT-personeel zijn gerapporteerd en door de medische dienst, die klager meerdere keren heeft gezien, zijn opgemerkt. Nu daarover niets is gerapporteerd en de directeur dit weerspreekt, acht de beroepscommissie de stelling van klager dat de gang van zaken was zoals door hem beschreven, onvoldoende basis om aan te nemen dat er sprake was van disproportioneel geweld. Het voorgaande kan daarom naar het oordeel van de beroepscommissie niet leiden tot de conclusie dat de directeur zijn zorgplicht heeft geschonden.

De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren. De grondslag voor de door de beklagcommissie aan klager toegekende tegemoetkoming komt daarmee te vervallen.

4.      De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is op 2 maart 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, mr. E. Lucas en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr. K. Kiela, secretaris.

secretaris    voorzitter

Naar boven