Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/20633/GA, 26 januari 2022, beroep
Uitspraakdatum:26-01-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          21/20633/GA 

 

Betreft [klager]

Datum 26 januari 2022

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft (voor zover in beroep aan de orde) beklag ingesteld tegen de beslissing van 20 november 2020 om hem te degraderen naar het basisprogramma.

De beklagrechter bij het JC Zaanstad heeft op 22 maart 2020 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €30,- (ZS-ZZ-2020-641). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de heer […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur en mevrouw […], juridisch medewerker van het JC Zaanstad, klager en zijn raadsman mr. A.M.J. Joris gehoord op de digitale zitting van 2 december 2021.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

Op 26 oktober 2020 is aan klager een disciplinaire straf opgelegd, omdat er een foto op Snapchat was verschenen waarop klager te zien was. Naar aanleiding hiervan is op 20 november 2020 besloten om klager te degraderen naar het basisprogramma. De uitspraak waar de beklagrechter naar verwijst (RSJ 29 oktober 2020, R-19/4999/GA) is van voor de wijziging in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) van 1 oktober 2020. Op grond van de wijziging in de Regeling kan een gedetineerde worden teruggeplaatst op grond van één ongewenste gedraging. Daarbij dient wel een belangenafweging te worden gemaakt en dat is gebeurd. Het gedrag van klager is te kwalificeren als ongewenst gedrag. Hij poseert immers op een foto, gemaakt met een mobiele telefoon, terwijl hij weet dat dit niet is toegestaan in de inrichting. Klager heeft met deze gedraging laten zien zich met betrekking tot verblijf en leefbaarheid niet aan de (huis)regels en afspraken te houden en hij laat zich in dit geval niet aanspreken op gedrag. Ook neemt klager geen verantwoordelijkheid voor zijn actie omdat hij stelt dat hij er niets vanaf wist, terwijl op de foto duidelijk blijkt dat dit wel het geval is. Daarnaast had klager aan het personeel kenbaar kunnen maken dat een medegedetineerde in het bezit van was een mobiele telefoon, maar hij heeft dit nagelaten.

Aan de beslissing is een belangenafweging ten grondslag gelegd waarin is meegewogen dat klager poseert op een foto, die is gemaakt met een mobiele telefoon. Dit terwijl hij weet dat een mobiele telefoon niet is toegestaan in de inrichting, gelet op het contact dat met de buitenwereld kan worden gemaakt en de kans op crimineel handelen. Dat klager zichtbaar was op de foto is ongewenst gedrag en dat wordt zwaarder gerekend dan het gewenste gedrag. Hij loopt op de foto niet toevallig langs. Hij had weg kunnen lopen, maar hij heeft geen actie ondernomen en goedgekeurd dat de foto werd geplaatst. De inrichting heeft dat niet geaccepteerd en daarom is klager teruggeplaatst. De andere personen op de foto zijn evenals klager op grond van ongewenst gedrag teruggeplaatst. Degene met de telefoon in zijn bezit is op basis van ontoelaatbaar gedrag teruggeplaatst.

Standpunt van klager

Klager heeft in aanvulling op wat hij naar voren heeft gebracht in zijn schorsingsverzoek en het klaagschrift het volgende naar voren gebracht.

Klager heeft niet uitgebreid geposeerd voor een fotograaf. Klager liep daar en het was niet mogelijk om weg te duiken. Klager hoefde er niet op bedacht te zijn dat er met telefoons foto´s worden gemaakt in een inrichting. Het is de vraag in hoeverre klager dat kan worden aangerekend. Het terugplaatsen van klager is buitenproportioneel. Klager heeft door de terugplaatsing vijf maanden open kamp gemist.

 

3. De beoordeling

De beroepscommissie stelt voorop dat de directeur een gedetineerde op grond van artikel 1d, vierde lid, van de Regeling kan terugplaatsen naar het basisprogramma.

Uit de nota van toelichting bij de wijziging van de Regeling in verband met de wijziging inzake het systeem van promoveren en degraderen van gedetineerden (Stcrt. 2020, nr. 49131) komt naar voren dat uitgangspunt is dat gedetineerden zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun detentie en re-integratie. Om te kunnen promoveren naar en te kunnen verblijven in het plusprogramma dient een gedetineerde aan te tonen dat zijn motivatie en inzet om zijn re-integratiedoelen te verwezenlijken, bestendig zijn. Promoveren en degraderen zijn dus afhankelijk van de mate van verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn eigen re-integratie, wat onder meer uit zijn gedrag kan blijken.

Naar het oordeel van de beroepscommissie laat de wijziging van voornoemde regelgeving ruimte om een gedetineerde op grond van één ongewenste gedraging te degraderen, mits de directeur dit gedrag benoemt en een kenbare belangenafweging aan het degradatiebesluit ten grondslag legt.

Uit de degradatiebeslissing blijkt dat klagers gedrag op het onderdeel ‘stimuleren en ontmoedigen’ als ‘ongewenst’ is aangemerkt. Hierbij is benoemd dat op 26 oktober 2020 aan klager een disciplinaire straf is opgelegd wegens een op social media verschenen foto waarop klager poserend te zien is in een cel van het JC Zaanstad. Klager stelt dat hij niet wist dat de foto werd genomen. Dit acht de beroepscommissie ongeloofwaardig omdat klager poserend te zien was op de foto. Klager heeft met zijn gedrag de orde, rust en veiligheid - zowel binnen als buiten de muren van het JC Zaanstad - ernstig verstoord. Het gedrag kon in redelijkheid worden aangemerkt als ‘ongewenst’.

Naar het oordeel van de beroepscommissie blijkt uit de bestreden beslissing – en de toelichting van de directeur ter zitting – dat de directeur een belangenafweging heeft gemaakt, waarbij hij klagers ongewenste gedrag heeft afgezet tegen het positieve gedrag van klager (de onderdelen waarop zijn gedrag als ‘gewenst’ beoordeeld is) en alle relevante aspecten van klagers gedrag zijn meegenomen.

De beslissing van de directeur tot terugplaatsing van klager in het basisprogramma kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep dan ook gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is op 26 januari 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, U.P. Burke en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door mr. D. Boessenkool, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven