Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/20016/GA, 10 januari 2022, beroep
Uitspraakdatum:10-01-2022

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          21/20016/GA

    

           

Betreft [klager]

Datum 10 januari 2022

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft, voor zover in beroep aan de orde, beklag ingesteld tegen de beslissing van 13 november 2020 om hem te degraderen naar het basisprogramma.

De beklagcommissie bij het JC Zaanstad heeft op 15 februari 2021 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €30,- (ZS-ZZ-2020-637). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft mevrouw […], plaatsvervangend directeur van het JC Zaanstad, gehoord op de zitting van 11 november 2021 in het JC Zaanstad. Klagers raadsman mr. R.I. Kool, die aanwezig was op de zitting, heeft aangegeven dat hij zich niet gemachtigd acht om namens klager het woord te voeren. Hoewel klager, die op eigen gelegenheid kon komen, op behoorlijke wijze was opgeroepen, is hij niet ter zitting verschenen.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

Klager klaagt over de beslissing van de directeur tot terugplaatsing naar het basisprogramma van 13 november 2020. Op 26 oktober 2020 is aan klager een disciplinaire straf opgelegd, omdat er een foto op Snapchat was verschenen waarop klager te zien was. Naar aanleiding daarvan is klager op 27 oktober 2020 teruggeplaatst naar het basisprogramma.

Over deze beslissing heeft klager contact opgenomen met de medewerkers van de inrichting, wat ertoe heeft geleid dat hij weer in het plusprogramma werd geplaatst. Aan de beslissing van 13 november 2020 is wederom het incident met de foto ten grondslag gelegd. De directeur kan zich niet vinden in de beweegredenen van de beklagcommissie.

De beklagcommissie heeft overwogen dat direct na de toewijzing van het schorsingsverzoek in de zaak van een medegedetineerde de eerste beslissing tot degradatie van klager ongedaan is gemaakt. Het betrof hier echter niet het schorsingsverzoek van een medegedetineerde, maar het schorsingsverzoek van klager zelf. In het geval van klager was het periodieke Multidisciplinair overleg (MDO) op 10 november 2020. Hierin is aangegeven dat klager een schorsingsverzoek had lopen tegen de degradatiebeslissing op ontoelaatbaar gedrag. Op voorhand is besproken dat als het schorsingsverzoek zou worden toegewezen op de grond dat het gedrag van klager niet als ontoelaatbaar bestempeld zou kunnen worden, het wellicht mogelijk was om klagers gedrag als ongewenst te bestempelen. Op 12 oktober 2020 (de beroepscommissie begrijpt: 12 november 2020) is de uitspraak van de schorsingsvoorzitter ontvangen. Op dezelfde dag heeft de vrijhedencommissie (VC) vergaderd en is besloten om klager op ongewenst gedrag te degraderen. Met betrekking tot verblijf en leefbaarheid geldt dat klager zich niet houdt aan de (huis)regels, niet aan de afspraken en dat hij zich in dit geval ook niet laat aanspreken op zijn gedrag. Hij poseert immers op een foto, gemaakt met een mobiele telefoon, terwijl hij weet dat dit niet is toegestaan in de inrichting. Daarbij heeft hij de situatie niet gestopt of bij het personeel aangekaart en neemt hij tevens geen verantwoordelijkheid voor zijn actie door te stellen dat hij er niets vanaf wist, terwijl naar aanleiding van de foto duidelijk blijkt dat dit wel het geval is.

De schorsingsvoorzitter heeft tussentijds in een andere zaak geoordeeld dat het poseren voor een foto die op social media is gesignaleerd, niet valt onder de gedragingen die in de regeling als ‘ontoelaatbaar’ gedrag zijn bestempeld. Daarbij had de directie, indien klagers gedrag als ‘ongewenst’ diende te worden aangemerkt, het gedrag dienen te benoemen dat tot de degradatie leidt en een kenbare belangenafweging moeten maken. Dit was in dat geval niet gebeurd (RSJ 12 november 2020, S-20/4690/SGA).

Tegen de beslissing tot degraderen op basis van ongewenst gedrag heeft klager eveneens een schorsingsverzoek ingediend. De schorsingsvoorzitter heeft geoordeeld dat het gedrag wel degelijk als ongewenst gedrag kan worden aangemerkt en dat de degradatiebeslissing op voorhand niet als onredelijk of onbillijk beschouwd kan worden. Dit bevestigt dat klagers gedrag als ongewenst beschouwd kon worden en de degradatie op deze gronden terecht is geweest.

Daarnaast wordt in de uitspraak van de beklagcommissie verwezen naar een uitspraak die niet relevant is voor deze zaak. In deze uitspraak wordt verwezen naar de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) voorafgaand aan de wetswijziging in oktober 2020. Met het invoeren van deze wetswijziging mag de directeur op basis van één gedraging iemand terugplaatsen naar het basisprogramma. Dit kan op ontoelaatbaar dan wel op ongewenst gedrag. Wel dient er een belangenafweging gemaakt te worden. In het geval van klager heeft de directeur dat ook gedaan. Het gedrag van klager, het feitelijk zichtbaar zijn op een Snapchat foto is dermate belastend en te kwalificeren als ongewenst gedrag. Klager heeft dan wel niet zelf een telefoon in zijn bezit gehad maar heeft wel met deze gedraging laten zien zich niet aan de regels te kunnen houden.

 

Standpunt van klager

Klager heeft zijn standpunt in beroep niet nader toegelicht.

 

3. De beoordeling

Uit de bestreden beslissing tot degradatie blijkt dat klagers gedrag door de directeur als ‘ongewenst’ is aangemerkt. Hierbij is benoemd dat klager niet de benodigde screening/diagnostiek en intake doorloopt, zoals blijkt uit de op 26 oktober 2020 opgelegde disciplinaire straf vanwege een foto die op social media verschenen is. Op deze foto is klager duidelijk poserend te zien in een cel van JC Zaanstad. De beroepscommissie acht de stelling van klager dat hij geen weet had van het nemen van de foto ongeloofwaardig, nu klager blijkens inlichtingen van de directeur duidelijk poserend op deze foto is te zien. Klager heeft met zijn gedragingen de orde, rust en veiligheid ernstig verstoord, zowel binnen als buiten de muren van het JC Zaanstad. Op andere onderdelen heeft klager wel gewenst gedrag laten zien, omdat hij meewerkt aan de arbeid en zich laat aanspreken op gedrag. In beroep is echter meegedeeld dat met betrekking tot verblijf en leefbaarheid kan worden opgemerkt dat klager zich niet houdt aan de (huis)regels en afspraken en dat klager zich in geval van dit incident ook niet laat aanspreken op zijn gedrag.

Uit de nota van toelichting bij de wijziging van de Regeling in verband met de wijziging inzake het systeem van promoveren en degraderen (Stcrt. 2020, nr. 49131) komt naar voren dat uitgangspunt is dat gedetineerden zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun detentie en re-integratie. Om te kunnen promoveren naar en te kunnen verblijven in het plusprogramma dient een gedetineerde aan te tonen dat zijn motivatie en inzet om zijn re-integratiedoelen te verwezenlijken, bestendig zijn. Promoveren en degraderen is dus afhankelijk van de mate van verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn eigen re-integratie, wat onder meer uit zijn gedrag kan blijken.

Artikel 1d, vierde lid, van de Regeling bepaalt dat indien de gedetineerde die is gepromoveerd, niet het in de categorie “re-integratie/resocialisatie” en de categorie “verblijf en leefbaarheid” van bijlage 1 dan wel bijlage 2 bij deze Regeling beschreven gewenste gedrag laat zien, de directeur kan besluiten tot degradatie. Indien klagers gedrag als ‘ongewenst’ dient te worden aangemerkt, dient de directeur volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie het gedrag te benoemen dat tot de degradatie leidt en een kenbare belangenafweging te maken.

De beroepscommissie is van oordeel dat het poseren voor een foto die is gemaakt in een cel van JC Zaanstad, waarop meerdere gedetineerden lachend zichtbaar zijn en waarbij die foto op social media is gesignaleerd, kan worden aangemerkt als ongewenst gedrag.

De beroepscommissie overweegt dat de directeur deze nieuwe beslissing tot degradatie met een verbeterde kwalificatie kon nemen. De directeur heeft voorts in de bestreden degradatiebeslissing een belangenafweging gemaakt. De beroepscommissie is van oordeel dat sprake is van een deugdelijke en inzichtelijke belangenafweging en dat de beslissing, gelet op de aard en ernst van het gedrag van klager, niet als onredelijk en onbillijk kan worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren. De grondslag voor de door de beklagcommissie aan klager toegekende tegemoetkoming komt daarmee te vervallen.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde, en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

 

Deze uitspraak is op 10 januari 2022 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. C. Fetter, voorzitter, mr. E. Lucas en mr. M.F.A. van Pelt, leden, bijgestaan door mr.  K. Kiela, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven