Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7969/GA, 13 december 2021, beroep
Uitspraakdatum:13-12-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          R-20/7969/GA

         

Betreft [klager]

Datum 13 december 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van het Justitieel Complex (JC) Zaanstad (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen een ontzegging van bezoek van zijn partner voor de duur van drie maanden, ingaande op 18 juni 2020 en een ordemaatregel van plaatsing in afzondering in een andere verblijfsruimte dan een afzonderingscel, voor de duur van veertien dagen, vanwege de omstandigheid dat klager zijn partner na afloop van bezoek binnen anderhalve meter heeft benaderd en haar een kus heeft gegeven, ingaande op 19 juni 2020.

De beklagcommissie bij het JC Zaanstad heeft op 29 september 2020 het beklag gegrond verklaard (ZS-ZZ-2020-378). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft de directeur en klager in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

Voor wat betreft de beslissing over het niet mededelen van het schriftelijk verslag is de directeur het ermee eens dat moet worden uitgegaan van de juistheid van dat verslag. Als personeel per abuis het hokje niet aanvinkt, waardoor niet in het rapport staat dat de verslaglegging is meegedeeld, kan de directeur de redenering dat er dan vanuit moet worden gegaan dat het schriftelijk verslag niet is meegedeeld, volgen.

Hoewel er in dit geval ook vergeten is het hokje aan te vinken, staat er echter wel in de tekst van het schriftelijk verslag dat het rapport is aangezegd. Daarom kan, als wordt uitgegaan van de juistheid van het rapport, ook worden aangenomen dat het rapport wel is aangezegd. Daar komt nog bij dat klager niet heeft gesteld dat het rapport niet aan hem zou zijn aangezegd.

Klager en zijn partner hebben bewust de strikte coronamaatregelen genegeerd door naar een open gedeelte te lopen en elkaar een kus te geven. Er waren niet voor niets glaswanden geplaatst. Ter zitting van de beklagcommissie is ook uitgelegd dat er voor bezoekers duidelijke richtlijnen waren voor het van hen te verwachten gedrag. Deze werden middels posters duidelijk gemaakt. Klager gaf tijdens de zitting in beklag aan dat de lange periode dat JC Zaanstad (conform landelijk beleid en dus algemene richtlijn) het bezoek niet had toegestaan, voor hem de overweging was toch een zoen te geven. Klager en zijn partner hebben dan ook bewust de bezoekregel overtreden. Zij hebben daarmee de gedetineerden en het personeel van JC Zaanstad in gevaar gebracht en daarmee ook de orde en veiligheid in de inrichting. Tevens hebben zij het voortbestaan van bezoek in coronatijd in gevaar gebracht. Dat alles lag ten grondslag aan en rechtvaardigt de gekozen duur van de bezoekontzegging.     

Standpunt van klager

Klager heeft zijn standpunt in beroep niet nader toegelicht.

3. De beoordeling

De beklagcommissie heeft overwogen de klacht op formele gronden gegrond te verklaren nu in het schriftelijk verslag is opgenomen dat de verslaglegging niet is meegedeeld aan klager.

De beroepscommissie stelt voorop dat het aanzeggen van een verslag, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), een vereiste is voorafgaand aan het opleggen van een disciplinaire straf, maar dat dit vereiste niet geldt voor een ordemaatregel of een beslissing als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Pbw zoals in deze zaak aan de orde. Het niet aanzeggen van het verslag – als dat al het geval zou zijn geweest – had in dit geval niet tot een gegrondverklaring van het beklag behoren te leiden. De beroepscommissie zal in zoverre het beroep gegrond verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen.

Uit de inlichtingen van de directeur komt naar voren dat een medewerker zag dat klager en zijn partner aan het einde van het bezoekmoment naar een open gedeelte liepen en elkaar een kus gaven. De directeur heeft aangegeven dat sinds 15 juni 2020 bezoek weer was toegestaan onder strikte voorwaarden in verband met de coronamaatregelen. Achter het plexiglas blijven en geen lijfelijk contact met bezoek waren de voorwaarden om het bezoek weer op te kunnen starten. Door de coronamaatregelen te omzeilen hebben klager en zijn partner de orde en de veiligheid in de inrichting in gevaar gebracht.

Klager heeft in zijn klaagschrift en ter zitting van de beklagcommissie aangegeven dat hij zich heeft neergelegd bij de ordemaatregel, maar dat hij het oneens is met de opgelegde (duur van de) ontzegging van het bezoek. Klager heeft aangevoerd dat mensen die contrabande de inrichting binnensmokkelen ook een ontzegging van drie maanden krijgen, maar hij heeft niets strafbaars gedaan en volgens hem wordt in de inrichting nergens anderhalve meter afstand gehouden. Klager vindt dat het geven van een kus de lengte van de ontzegging van het bezoek niet rechtvaardigt. Klager had zijn partner al enkele maanden niet gezien en zijn partner heeft geen familie in Nederland. Aan het eind van het bezoek heeft klager zijn partner een kus gegeven. Aan klager was niet verteld dat hij zijn partner niet mocht aanraken. Ook hingen er volgens klager destijds geen posters of aanduidingen waaruit bleek dat er geen fysiek contact was toegestaan tijdens het bezoek.

Vaststaat dat klager en zijn bezoekster zich niet hebben gehouden aan de coronamaatregelen rondom het bezoek door fysiek contact met elkaar te hebben. De directeur heeft klager hiervoor in redelijkheid en billijkheid een ordemaatregel en een bezoekontzegging kunnen opleggen. 

De beroepscommissie is met de beklagcommissie van oordeel dat de directeur onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij drie maanden ontzegging van bezoek noodzakelijk vond en waarom de orde en de veiligheid in de inrichting niet ook konden worden gewaarborgd met een kortere termijn. Dat in de huisregels staat dat de ontzegging ‘in beginsel geldt voor ten hoogste drie maanden’, betekent immers niet dat de directeur zonder meer die termijn moet opleggen. De directeur dient een belangenafweging te maken, waarin de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten worden meegewogen. Die afweging is naar het oordeel van de beroepscommissie onvoldoende inzichtelijk geworden. Daarbij neemt de beroepscommissie in aanmerking dat uit de stukken niet is gebleken van eerder ontoelaatbaar gedrag tijdens bezoek en dat het gaat om zijn partner van wie klager door de coronamaatregelen al drie maanden geen bezoek had gehad. Bovendien was aan klager ook al een ordemaatregel voor de duur van twee weken afzondering in eigen cel of verblijfsruimte opgelegd, om klager te kunnen monitoren op coronaverschijnselen.      

Hetgeen in beroep is aangevoerd - ten aanzien van de inhoudelijke gronden - kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal daarom voor het overige ongegrond worden verklaard en de uitspraak van de beklagcommissie zal in zoverre worden bevestigd, met aanvulling van de gronden.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de gegrondverklaring wegens vormverzuim en vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.

De beroepscommissie verklaart het beroep voor het overige ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie, met aanvulling van de gronden.

 

Deze uitspraak is op 13 december 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. T.B. Trotman, voorzitter, mr. R.H. Koning en mr. D.R. Sonneveldt, leden, bijgestaan door mr. K. Kiela, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven