Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/5876/GA, 30 september 2021, beroep
Uitspraakdatum:30-09-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/5876/GA

    

Betreft [klager]

Datum 30 september 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Alphen te Alphen aan den Rijn (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen de weigering hem in het plusplusprogramma te plaatsen.

 

De beklagcommissie bij de PI Alphen heeft op 20 januari 2020 het beklag gegrond verklaard (AR 2019/811). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

 

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

 

De beroepscommissie heeft de directeur, klager en zijn raadsman mr. H. Sytema in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

Klager is geplaatst op de lijst van gedetineerden met een vlucht-/maatschappelijk risico (de GVM-lijst) op basis van een drietal indicaties, te weten mediagevoeligheid, een terroristisch misdrijf en radicalisering/werving. Dientengevolge is aan hem een aantal toezichtsmaatregelen opgelegd waarmee wordt getracht zijn externe contacten te monitoren.

 

Gedetineerden die in het plusplusprogramma verblijven krijgen meer vrijheden en kunnen diverse trainingen volgen. Deze extra vrijheden betreffen onder andere eens per drie maanden een extra bezoek zonder toezicht (BZT), het enkel ingesloten zijn tijdens een luchtmoment indien de betrokkene er zelf voor kiest niet te gaan luchten, trainingen en workshops ter voorbereiding op de Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA), €25,- per week om zelf te kunnen koken, tweemaal per week twee uur extra avondrecreatie, skypen en in de toekomst het organiseren van familiedagen.

 

De gegrondverklaring van het beklag is, zo volgt uit de uitspraak, mede gelegen in het feit dat de directie heeft toegelicht dat de plaatsing in het plusplusprogramma in het geval van gedetineerden met een GVM-status maatwerk is, in die zin dat voor elke gedetineerde met die status bezien wordt of hij/zij daarvoor in aanmerking komt. Binnen het plusplusprogramma wordt vervolgens niet meer gedifferentieerd in de vrijheden die door de betrokken gedetineerden worden genoten. Alle gedetineerden die deelnemen aan het plusplusprogramma, hebben recht op dezelfde eerder genoemde vrijheden. De achterliggende gedachte van het plusplusprogramma is immers dat de betrokken gedetineerden zoveel mogelijk zelfstandig zijn en vrijheden genieten die hen voorbereiden op de BBA. Indien bepaalde vrijheden binnen dit plusplusprogramma optioneel zouden worden gemaakt, holt dit het achterliggende doel van het programma uit. Daarnaast heeft de directeur ter zitting van de beklagcommissie toegelicht dat het plusplusprogramma – een pilot – zich nog in de opstartfase bevindt en niet alles al is uitgekristalliseerd.

 

De directeur acht het niet opportuun om klager in het plusplusprogramma te plaatsen, nu de aan klager opgelegde toezichtsmaatregelen en de aanleiding hiervoor enerzijds en de in het plusplusprogramma te genieten vrijheden waarbij toegewerkt wordt naar plaatsing in een BBA anderzijds haaks op elkaar staan. De uitspraak van de beklagcommissie wringt met zijn plicht om de orde en veiligheid in de inrichting te handhaven. Daarom heeft hij tevens de schorsingsvoorzitter van de RSJ verzocht om de uitspraak van de beklagcommissie te schorsen. Dit verzoek is op 7 februari 2020 toegewezen. Inmiddels is klager in vrijheid gesteld.

 

Standpunt van klager

Het is nauwelijks denkbaar dat er lichtere of andere toezichtsmaatregelen op basis van een plaatsing op de GVM-lijst worden toegepast, dan de toezichtsmaatregelen die voor klager golden. Zo bezien zou de enkele GVM-status van een gedetineerde al aan deelname aan het plusplusprogramma in de weg staan.

 

Klager meent dat onvoldoende duidelijk is waarom de vrijheden van het plusplusprogramma haaks zouden staan op de maatregelen die hem waren opgelegd. Die maatregelen betroffen immers “slechts” het monitoren van zijn (externe) contacten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dat monitoren niet mogelijk is binnen het plusplusregime. Een deel van de vrijheden die gelden binnen het plusplusregime ziet volstrekt niet op de omstandigheden op grond waarvan de maatregelen zijn opgelegd.

 

Het uitsluiten van deelname aan de pilot op grond van de toezichtsmaatregelen in verband met zijn GVM-status, al dan niet op grond van zijn specifieke situatie, brengt klager in een ongelijke positie ten opzichte van andere gedetineerden die wel aan de pilot mogen deelnemen. Verwezen wordt naar het advies ‘Spanning in detentie’ van de RSJ van 25 november 2019, pagina 7: “Wat betreft de rechtsongelijkheid tussen gedetineerden die deelnemen aan bepaalde pilots en degenen die dat niet doen: deze rechtsongelijkheid is conform uitspraken van de beroepscommissie te rechtvaardigen, wanneer goed wordt gemotiveerd wat de reden is om af te wijken en mits de pilot in tijd begrensd is, dat wil zeggen een vaste einddatum heeft”. Volgens klager is de motivering om af te wijken op grond van het voorgaande onvoldoende.

 

3. De beoordeling

De beroepscommissie stelt vast dat de beklagcommissie heeft overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter beklagzitting onweersproken is gebleken dat klager, mede gelet op zijn gedrag binnen de inrichting, in aanmerking komt voor het plusplusprogramma. De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard, nu de beklagcommissie het enkele feit dat aan klager toezichtsmaatregelen zijn opgelegd in het kader van zijn plaatsing op de GVM-lijst, geen belemmering acht om deel te kunnen nemen aan een plusplusprogramma en omdat niet zou zijn gebleken van een deugdelijke belangenafweging door de directeur.

 

De beroepscommissie overweegt dat de GVM-status van klager is gebaseerd op een drietal indicaties, te weten mediagevoeligheid, een terroristisch misdrijf en radicalisering/werving. Met de opgelegde toezichtsmaatregelen wordt onder andere getracht om klagers externe contacten te monitoren. De directeur heeft bij het antwoord op de vraag of klager wel of niet kan worden toegelaten tot het plusplusprogramma de orde en veiligheid in de inrichting laten prevaleren boven de belangen van klager. Naar het oordeel van de beroepscommissie – en anders dan de beklagcommissie heeft geoordeeld – heeft de directeur in het geval van klager een weliswaar summiere, maar deugdelijke en kenbare belangenafweging gemaakt. Die belangenafweging kan de beslissing om klager niet toe te laten tot het plusplusprogramma dragen.

 

Gelet op het voorgaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 30 september 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. A. van Holten, voorzitter, mr. D. van der Sluis en mr. R. Raat, leden, bijgestaan door mr. B. van Kemenade, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven