Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/23204/GV, 27 september 2021, beroep
Uitspraakdatum:27-09-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          21/23204/GV

         

Betreft [klager]

Datum 27 september 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 10 september 2021 klagers verzoek om strafonderbreking voor de resterende dertien dagen afgewezen. Klagers oorspronkelijke verzoek zag op een strafonderbreking van vijftien dagen, waarvan aan klager in een eerder stadium twee dagen zijn toegekend.

 

Klagers raadsman, mr. A.S. Sewgobind, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

 

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager heeft tweemaal eerder een verzoek gedaan om strafonderbreking. Het onderhavige beroep richt zich wederom tegen het niet verlenen van de verzochte resterende dertien dagen. Verzocht wordt de gronden zoals opgenomen in het eerste en het tweede beroepschrift als herhaald en ingelast te beschouwen.

 

Verweerder legt klagers verzoek tot strafonderbreking veel te beperkt uit. Het verzoek ziet niet enkel op het ondersteunen van klagers vrouw. Klager wenst de zeer ingrijpende gebeurtenis rondom de dood van zijn broer samen met zijn gezin te verwerken. Daarnaast wenst hij samen met zijn moeder het graf van zijn broer te bezoeken alsmede samen met zijn moeder het rouwproces af te sluiten. In het advies van de inrichtingspsycholoog wordt ook uitvoerig benoemd wat onderhavig verzoek voor klager en zijn gezin zou kunnen betekenen. Klager heeft in de zeer geringe tijd die hem gegund is ten behoeve van het bijwonen van de zitting, het graf van zijn broer nog altijd niet kunnen bezoeken. Tevens wenst klager de uitspraak in de strafzaak van zijn broer op 28 september 2021 bij te wonen. Dat klager hiervoor (wederom) een los verzoek bij zijn casemanager kan indienen, kan niet gevolgd worden. Immers heeft de directeur hierin geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid.

 

Verweerder stelt thans dat het advies van de inrichtingspsycholoog niet kan worden betrokken bij de beoordeling van het verzoek om aan klager een strafonderbreking te verlenen, omdat het advies niet ziet op de problematiek van klagers vrouw. Verweerder gaat hier wederom voorbij aan het totale verzoek van klager om samen met zijn gezin, en dus ook zijn vrouw, de rouwverwerking aan te willen gaan. Inmiddels is vast komen te staan dat zijn vrouw te kampen heeft met psychische klachten. In de uitspraak van de beroepscommissie van 9 september 2021 wordt geconcludeerd dat in het advies van de medisch adviseur van de afdeling Individuele Medische Advisering (IMA) melding wordt gemaakt van de psychische klachten van klagers vrouw. Dat de huisarts van zijn vrouw geen, dan wel onvoldoende, diagnose heeft vermeld is betreurenswaardig, maar doet niet af aan de problematiek waar klagers vrouw mee te kampen heeft. Zij heeft reeds zeer lange tijd te kampen met psychische problemen en deze zijn de afgelopen jaren, onder andere door het overlijden van de broer van klager, de detentie van klager en haar herseninfarct, alsmaar verergerd. Afgelopen januari heeft klagers vrouw dan ook een spoedverwijzing voor psychiatrische hulpverlening ontvangen, waarvoor zij inmiddels een eerste behandeltraject heeft afgerond. Sinds april 2021 wordt zij behandeld door het Vincent van Gogh instituut.

 

Klager wenst te benadrukken dat zij in afwachting van het verzoek tot strafonderbreking en de beroepsprocedures bij de RSJ altijd de hoop hebben gehouden dat hen een korte periode van samenzijn gegund zou zijn om in alle rust de traumatische gebeurtenis rondom de dood van zijn broer te verwerken. Helaas is het tegendeel inmiddels gebleken. Zowel klager als zijn vrouw ervaren enorm veel stress en spanning, waardoor zij nog altijd niet toe zijn gekomen aan het proces van rouwverwerking. Klager begrijpt niet dat, ondanks alles positieve adviezen en de gegrond verklaarde beroepschriften door de RSJ, de noodzaak voor de strafonderbreking nog altijd niet is aangenomen. Verweerder heeft nog altijd niet voldoende gemotiveerd waarom er onvoldoende noodzaak is voor een strafonderbreking voor de duur van vijftien dagen, terwijl uit de feiten en omstandigheden blijkt dat klager hier wel degelijk een belang bij heeft.

 

Standpunt van verweerder

Bij beslissing van 27 augustus 2021 is een strafonderbreking voor de duur van twee dagen toegewezen, zodat klager de zitting kon bijwonen om zijn spreekrecht uit te oefenen en aansluitend daarop het graf van zijn broer kon bezoeken. Dat klager in deze twee dagen het graf van zijn broer niet heeft bezocht, is niet aan verweerder te wijten. Voor het overige heeft verweerder het verzoek afgewezen, omdat de noodzaak onvoldoende was aangetoond.

 

Verweerder is zich ervan bewust dat klagers verzoek zich ook richt op het ondersteunen van en samenzijn met zijn familie. Hoewel dit door de inrichtingspsycholoog ook wordt benoemd in het advies, bestaat er tussen de psycholoog en de familieleden van klager geen behandelrelatie. Derhalve is een advies van de medische adviseur nodig om duidelijkheid te verkrijgen over de noodzaak tot het verlenen van een strafonderbreking op die grond. Klager heeft voor zowel zichzelf als voor zijn moeder geen schriftelijke toestemming overhandigd om daarover informatie bij de medisch adviseur op te vragen. De toestemming die klager heeft gegeven, ziet alleen op zijn vrouw. Dat maakt dat verweerder de noodzaak tot het verlenen van een strafonderbreking niet kan inschatten. Zonder een medisch advies kan verweerder geen weloverwogen beslissing nemen. Verder ziet het advies van de inrichtingspsycholoog niet op de noodzaak om klagers vrouw te ondersteunen. Alhoewel klagers vrouw haar afsprakenkaart van de psychiater en haar medicatie heeft overhandigd, kan verweerder hier nog altijd niet uit opmaken dat er thans een noodzaak bestaat om aan klager een strafonderbreking te verlenen om zijn vrouw te ondersteunen. De medisch adviseur heeft meerdere pogingen richting de huisarts en psychiater van klagers vrouw ondernomen voor het verkrijgen van informatie, maar dit is nog steeds niet succesvol gebleken. Dat de informatievoorziening vanuit de huisarts niet goed is, is niet aan verweerder te wijten.

 

Naar aanleiding van de uitspraak van de beroepscommissie, heeft de medisch adviseur wederom inspanningen verricht om informatie te verkrijgen van de huisarts alsmede de psychiater van zijn vrouw. Hoewel het de medisch adviseur duidelijk is dat klagers vrouw sinds april 2021 wordt behandeld bij het Vincent van Gogh instituut, is de ernst van de psychische aandoening hieruit niet duidelijk geworden. Bovendien heeft de huisarts geen enkele diagnose vermeld, ook geen herseninfarct. De medisch adviseur concludeert dan ook dat zij niet met medische gegevens – en daarmee dus ook niet met de afsprakenkaart en de medicatie die de vrouw heeft overgelegd – kan onderbouwen waarom klagers vrouw juist nu nog extra ondersteuning van klager nodig heeft. Daarmee is niet aangetoond dat de psychische klachten van de vrouw aanleiding geven voor een strafonderbreking.

 

Verweerder ziet verder geen noodzaak om de strafonderbreking te verlengen met dertien dagen. Klager heeft niet met documenten van de medisch adviseur onderbouwd dat de strafonderbreking voor hem en zijn moeder noodzakelijk is. Daarnaast bestaat er binnen de inrichting de mogelijkheid om door middel van een familiebezoek dit rouwproces te verwerken.

 

Voor zover klager in zijn beroepsgronden heeft aangegeven dat hij de uitspraak in de strafzaak van zijn broer op 28 september 2021 wil bijwonen, stelt verweerder zich op het standpunt dat klager, via zijn casemanager, een verzoek tot verlof bij de Divisie Individuele Zaken kan indienen.

 

3. De beoordeling

Klager is sinds 27 november 2019 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden met aftrek, wegens betrokkenheid bij de productie van amfetamine in Duitsland. Via de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties zit klager nu zijn resterende straf uit in Nederland. De (fictieve) einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 12 november 2022.

 

Namens klager is op 9 juli 2021 een verzoek tot strafonderbreking voor vijftien dagen ingediend, omdat klager zijn spreekrecht wilde uitoefenen tijdens de strafzitting waarin de verdachte terechtstaat van de moord op klagers broer. Ook ziet het verzoek op het gegeven dat klager met zijn familie wil rouwen. Dit verzoek is op 13 augustus 2021 door de Minister afgewezen. Namens klager is tegen deze beslissing beroep ingesteld. De beroepscommissie heeft het beroep van klager op 24 augustus 2021 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om terstond een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 24 augustus 2021, 21/22725/GV). In deze nieuwe beslissing van 27 augustus 2021 is positief beslist op het verzoek tot strafonderbreking, maar enkel voor de duur van twee dagen. Klager heeft gebruik kunnen maken van zijn spreekrecht. Klager wenst alsnog de resterende dagen bij zijn familie te verblijven, dit ten behoeve van het rouwproces. Namens klager is ook tegen de beslissing van 27 augustus 2021 beroep ingesteld. De beroepscommissie heeft dit beroep op 9 september 2021 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om terstond een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 9 september 2021, 21/22987/GV). In deze nieuwe beslissing van 10 september 2021 is het verzoek voor het verlenen van de resterende dertien dagen strafonderbreking wederom afgewezen. Deze laatste beslissing is thans in beroep aan de orde.

 

In artikel 34 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: de Regeling) staat dat strafonderbreking kan worden verleend wegens zodanig bijzondere omstandigheden in de persoonlijke sfeer, dat niet kan worden volstaan met een andere vorm van verlof.

 

De beroepscommissie is op grond van het dossier van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat de noodzaak bestaat aan klager nog dertien dagen strafonderbreking te verlenen. Daartoe overweegt de beroepscommissie allereerst dat uit de stukken niet gebleken is dat klagers persoonlijke aanwezigheid is vereist voor het ondersteunen van zijn vrouw. In het medisch advies van 1 september 2021 wordt melding gemaakt van psychische klachten bij zijn vrouw. De aard en de ernst van deze klachten kunnen echter, gelet op de aanvullende informatie van de medisch adviseur van 10 september 2021, niet worden vastgesteld. De medisch adviseur heeft herhaaldelijk getracht nadere informatie op te vragen bij de zorgverleners, maar dit is tot op heden niet succesvol gebleken. Het blijft dan ook onduidelijk welke zorgbehoefte de partner van klager heeft en welke bijdrage door klager daarbij van belang is. Naar het oordeel van de beroepscommissie heeft verweerder voldoende inspanningen verricht om een eventuele noodzaak voor het verlenen van de resterende dertien dagen strafonderbreking vast te stellen.

 

Ten aanzien van klagers stelling dat zijn verzoek tot strafonderbreking niet slechts ziet op het willen bijstaan van zijn vrouw, maar ook op het verwerken van de zeer ingrijpende gebeurtenis met zijn gehele gezin en zijn moeder, overweegt de beroepscommissie dat uit de inlichtingen van verweerder volgt dat klager geen schriftelijke toestemming heeft overhandigd om medische informatie over zijn moeder en hemzelf op te vragen. Hierdoor kan de (medische) noodzaak voor het verlenen van strafonderbreking voor dit doel ook niet worden vastgesteld.

 

De beroepscommissie overweegt verder dat voor zover door klager wordt gesteld dat hij nog steeds het graf van zijn broer niet heeft kunnen bezoeken, dit niet kan leiden tot het toekennen van een langere periode van strafonderbreking. Aan klager is in een eerder stadium twee dagen strafonderbreking verleend voor het bijwonen van de strafzaak met aansluitend een bezoek aan het graf. Dat dit bezoek, om onduidelijke redenen, niet heeft plaatsgevonden, doet hier niet aan af.

 

Voor zover klager in beroep aanvoert dat hij (ook) de uitspraak in de strafzaak van de verdachte van de moord op zijn broer op 28 september 2021 wenst bij te wonen, merkt de beroepscommissie op dat verweerder in de beslissing van 10 september 2021 klager op voorhand op de mogelijkheid heeft gewezen dat hij bij of via zijn casemanager – en dus niet bij de directeur, zoals door klager gesteld – een verzoek tot verlof kon indienen. Klager had dus tijdig een (nieuw) verzoek tot verlof kunnen indienen.

 

Gelet op al het voorgaande kan de bestreden beslissing, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 27 september 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. D.W.J. Vinkes, voorzitter, mr. S. Djebali en mr. J.M.L. Niederer, leden, bijgestaan door mr. A. Back, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven