Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 20/16770/GB, 4 augustus 2021, beroep
Uitspraakdatum:04-08-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          20/16770/GB

    

           

Betreft klager

Datum 4 augustus 2021

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van klager (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft een verzoek gedaan tot deelname aan een penitentiair programma (PP).

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft dat verzoek op 23 december 2020 afgewezen.

Klagers raadsman, mr. M.M.J.P. Penners, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

De beroepscommissie heeft kennisgenomen van het beroepschrift, de reactie van verweerder en de overige stukken.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek tot deelname aan een PP. Klager verwijst hiervoor naar de inhoud van zijn reactie van 27 november 2020 op het reclasseringsrapport. Het reclasseringsrapport is op meerdere punten onjuist of onvolledig. Er is geen sprake van conflicten buiten de inrichting. Voor zover er in het verleden conflicten waren, zijn deze opgelost en vormen deze gestelde conflicten in ieder geval geen belemmering voor deelname aan een PP. Dat klager dreigende uitspraken naar zijn buurvrouw gedaan zou hebben, is onjuist. Het is klager ook onduidelijk waar deze gestelde uitspraken uit zouden kunnen blijken. Klager ontkent dat er onmogelijkheden zouden zijn om te werken aan een delictvrije toekomst. Hiervoor is ook geen onderbouwing gegeven. Klager ontkent dat hij uitspraken heeft gedaan die duiden op het plegen van een delict na afloop van zijn detentie. Klager is al bestraft voor een poging tot oplichting en het is onduidelijk waarom deze veroordeling na afloop van zijn detentie een motief zou opleveren voor een nieuw delict.

Klager verzoekt om een financiële tegemoetkoming.

 

Standpunt van verweerder

Verweerder verwijst naar de inhoud van de bestreden beslissing.

Het verzoek is afgewezen, omdat er een gebrek aan motivatie bij klager is geconstateerd. Daarnaast wordt er bij de deelname van klager aan een PP maatschappelijke onrust verwacht. Uit een schriftelijk verslag van de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught van 7 april 2021 blijkt dat klager meerdere malen is aangesproken op zijn werkhouding en negatieve houding. Klager heeft vervolgens het personeel meerdere malen ernstig psychisch bedreigd, waarbij klager ook een dreigende lichaamshouding aannam. Dit gedrag is een sterke contra-indicatie voor detentiefasering. Op 25 maart 2021 heeft klager een afwijzende beslissing tot promoveren ontvangen, omdat zijn gedrag nog steeds te wensen over liet. Op 30 april 2021 is klager op zijn eigen verzoek en met een positief advies van de PI overgeplaatst naar een andere PI. Zowel klager als de PI Vught zijn het er over eens, weliswaar vanuit verschillende perspectieven, dat de werkrelatie verstoord is. Verweerder verwijst hierbij naar de selectiebeslissing van 30 april 2021.

Voor een tegemoetkoming bestaat geen aanleiding.

 

3. De beoordeling

Klager is sinds 23 juni 2015 gedetineerd. Hij ondergaat een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden met aftrek, wegens brandstichting, poging tot oplichting en overtreding van de Wet wapens en munitie. De (fictieve) einddatum van klagers detentie is momenteel bepaald op 20 december 2021.

Op grond van artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en artikel 7 van de Penitentiaire maatregel (Pm) komen voor deelname aan een PP gedetineerden in aanmerking:

-    aan wie een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tenminste zes maanden is opgelegd;

-    die vijf zesde deel van de opgelegde vrijheidsstraf hebben ondergaan;

-    die een strafrestant hebben van minimaal vier weken en maximaal een jaar;

-    die beschikken over een aanvaardbaar verblijfadres;

-    die hebben verklaard om bereid te zijn zich te houden aan de voorwaarden van het PP.

 

Op grond van deze artikelen spelen ook de volgende aspecten een rol:

-    de aard, zwaarte en achtergrond van het gepleegde delict;

-    het detentieverloop (waaronder het gedrag van de gedetineerde, het nakomen van afspraken door de gedetineerde en zijn gemotiveerdheid);

-    het gevaar voor recidive;

-    de mate waarin de gedetineerde in staat zal zijn om te gaan met de vrijheden tijdens zijn deelname aan het PP;

-    de geschiktheid van de gedetineerde voor deelname aan een PP;

-    de mate van onzekerheid over de datum van invrijheidstelling;

-    eventuele andere omstandigheden die zich tegen deelname verzetten.

 

Bij de beoordeling moeten ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden worden meegewogen.

Klagers verzoek is afgewezen, omdat er een gebrek aan motivatie bij klager is geconstateerd. Daarnaast wordt er bij de deelname van klager aan een PP maatschappelijke onrust verwacht.

De beroepscommissie overweegt dat uit het dossier blijkt dat klager - die de feiten waarvoor hij is veroordeeld grotendeels ontkent - zijn detentie wisselend doorloopt. Zo komt uit het selectieadvies van de PI Vught van 23 december 2020 enerzijds naar voren dat klager het dagprogramma goed doorloopt, maar volgt anderzijds dat zijn gedrag als ´ongewenst´ is aangemerkt, in verband met negatief gedrag. Op 22 december 2020 is klager disciplinair bestraft vanwege dreigende uitspraken en een dreigende houding naar personeel. Daarnaast komt uit het selectieadvies naar voren dat klager weinig openstaat voor andere zienswijzen en dat hij moeilijk kan omgaan met spanningen en frustraties. Hierdoor is sprake van een terugkerend probleem met conflicten, waardoor klager bij beslissing van 30 april 2021 is overgeplaatst naar de PI Almelo. Ook in andere PI´s speelden problemen rondom klager waarbij hij personeel tegen elkaar probeerde uit te spelen of intimiderend gedrag liet zien. Er lijkt sprake te zijn van onvermogen bij klager om tot een gedragsverandering te komen

Uit het reclasseringsrapport van 27 oktober 2020 blijkt dat de reclassering het recidiverisico inschat als ´gemiddeld´. De reclassering komt hiertoe, omdat er geen beschermende factoren zijn en klagers houding met betrekking tot grensoverschrijdend gedrag niet verandert of hij dit gedrag bagatelliseert. Daarnaast is de woonomgeving waar klager wil verblijven tijdens zijn deelname aan een PP mogelijk niet geschikt, omdat de politie daar extra aandacht heeft voor criminaliteit en de politie het vanwege (langlopende) conflicten met diverse bewoners, waaronder klagers buurvrouw, onwenselijk vindt dat klager daar terugkeert. Klager heeft geen maatschappelijk geaccepteerd sociaal netwerk. Daarnaast schat de reclassering het risico op letselschade in als ´gemiddeld´. Het risico op het onttrekken aan de voorwaarden kan niet ingeschat worden door de reclassering. Met betrekking tot gedragsverandering wordt door de reclassering geen meerwaarde gezien in een deelname aan een PP door klager.

Zowel de reclassering als het Openbaar Ministerie adviseren negatief over klagers deelname aan een PP. De vrijhedencommissie van de PI Vught heeft deze adviezen overgenomen en adviseert ook negatief. 

Gelet op al het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat klager niet voldoet aan de gestelde voorwaarden als bedoeld in artikel 4 van de Pbw en artikel 7 van de Pm. De bestreden beslissing kan – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – daarom niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

 

Deze uitspraak is op 4 augustus 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. M.J. Stolwerk, voorzitter, mr. M.F.A. van Pelt en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

 

Naar boven