Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/19787/GA - tussenbeslissing, 2 augustus 2021, beroep
Uitspraakdatum:02-08-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          21/19787/GA - Tussenbeslissing

         

Betreft [klager]

Datum 2 augustus 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de weigering van 5 november 2020 van de directeur van de PI Vught een ingekomen poststuk aan klager uit te reiken.

 

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught heeft op 4 februari 2021 het beklag ongegrond verklaard (VU 2020/1909). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

 

Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

 

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en namens de inrichting, […] en […], beiden afdelingshoofd, bijgestaan door de landsadvocaat, via een telehoorvoorziening gehoord op de zitting van 19 mei 2021 op het secretariaat van de RSJ.

 

In het beroepschrift van klager en ter zitting van de beroepscommissie heeft klager de beroepscommissie verzocht kennis te nemen van het poststuk, zonder dat hij en zijn advocaat hiervan kennis kunnen nemen. Ter zitting van de beroepscommissie heeft de directeur het verzoek van klager ondersteund en indien de beroepscommissie het verzoek honoreert, medegedeeld hier medewerking aan te zullen verlenen.

 

2. De beoordeling

De beroepscommissie stelt voorop dat in de beklag- en beroepsprocedure als uitgangspunt geldt dat alle stukken die een partij inbrengt ter kennis komt van de wederpartij. De onderhavige procedure heeft betrekking op de weigering een poststuk aan klager uit te reiken. De bevoegdheid van de directeur dit te doen zou illusoir worden, indien via de te volgen beklag- en beroepsprocedure het betreffende stuk toch in handen komt van de gedetineerde.

 

De Penitentiaire beginselenwet kent echter geen wettelijke bepaling vergelijkbaar met artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin de mogelijkheid bestaat op grond van gewichtige redenen de rechter mede te delen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen/toelichting dan wel de over te leggen stukken. Bovendien is het de vraag of de beroepscommissie – als zij het verzoek zou honoreren – in staat is tot een zorgvuldige afweging te komen, nu moet worden aangenomen dat zij de context van een brief en de achtergrond en mogelijke antecedenten van de briefschrijver niet kent.

 

Om aan het belang van vertrouwelijkheid tegemoet te komen, is voorzien in een procedure via het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP).  Het GRIP verricht voor de politie, het OM, de DJI en de daaronder ressorterende inrichtingen en diensten taken als het coördineren van (criminele) inlichtingen, het opstellen van GRIP-rapporten en het op basis daarvan uitbrengen van adviezen en (het meewerken aan) het monitoren van bepaalde gedetineerden.

De directeur kan voor de controle op de inhoud van correspondentie op grond van de GRIP-circulaire zich voor een advies wenden tot het GRIP. Adviezen op basis van een GRIP-rapport zullen steeds zoveel mogelijk schriftelijk worden gegeven. Eveneens kan – indien noodzakelijk met het oog op het nemen van maatregelen – spoedshalve het schriftelijk advies worden voorafgegaan door een telefonisch advies.

 

In onderhavige procedure heeft de directeur niet meer kunnen mededelen over het betreffende poststuk dan dat de inhoud en de afzender, wiens relatie tot klager niet kan worden geduid, aanleiding geeft het poststuk niet aan klager uit te reiken. De inhoud van het poststuk doet de directeur vermoeden dat er een mogelijk verband bestaat met het criminele samenwerkingsverband waar klager leiding aan zou geven. De afzender, zo stelt de directeur, is strafrechtelijk veroordeeld. Een schriftelijk advies van het GRIP over het betreffende poststuk ontbreekt bij de stukken.

 

Gelet op het vorenstaande is de beroepscommissie van oordeel dat het op de weg van de directeur ligt de hiervoor bestaande procedure via het GRIP te volgen. De beroepscommissie zal daarom het verzoek van klager afwijzen en de directeur verzoeken het betreffende poststuk voor te leggen aan het GRIP voor een schriftelijk advies dat in de procedure kan worden ingebracht.

 

Na ontvangst van het GRIP-advies zal de beroepscommissie dit toezenden aan klager en zijn raadsman, die in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop schriftelijk te reageren.

 

3. De tussenbeslissing

De beroepscommissie wijst het verzoek van klager af.

Zij verzoekt de directeur het betreffende poststuk voor te leggen aan het GRIP met het verzoek hierover schriftelijk te adviseren en dit advies in te brengen in de beroepsprocedure.

De beroepscommissie houdt de beslissing op het beroep aan tot een nader moment, in afwachting van het schriftelijk advies van het GRIP en de eventuele reactie van of namens klager.

 

Deze uitspraak is op 2 augustus 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. S. Bijl en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door mr. R. Kokee, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven