Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 20/16869/GA, 30 juni 2021, beroep
Uitspraakdatum:30-06-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          20/16869/GA

               

Betreft [klager]

Datum 30 juni 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de locatie De Schie te Rotterdam (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld tegen de beslissing van de directeur om het verzoek van klager tot het geven van een interview af te wijzen.

De beklagcommissie bij de locatie De Schie heeft op 18 december 2020 het beklag gegrond verklaard en de directeur opgedragen binnen vier weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van die uitspraak (S-2020-000257). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft mevrouw […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur, de heer […], namens de afdeling juridische zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen, de landsadvocaat mr. A.Th.M. ten Broeke, klager - bijgestaan door een tolk in de Engelse taal - en zijn raadsvrouw mr. J.J. Serrarens gehoord op de digitale zitting van 22 april 2021.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

In artikel 40 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) is tot uitdrukking gebracht dat juist bij het aangaan van contacten met de media het recht van de gedetineerde niet voorop staat. Verwezen wordt naar de Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 60:

"In de Regeling contacten tussen individuele gedetineerden en de pers zijn beperkingen aangebracht op de grondwettelijke vrijheden van gedetineerden in de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. De mogelijk ingrijpende publicitaire gevolgen van contacten tussen pers en een gedetineerde rechtvaardigen om niet, zoals bij andere contacten met buiten is geschied, het desbetreffende recht van de gedetineerde voorop te stellen. Het artikel is in een andere sleutel geplaatst. De directeur kan toestemming geven voor, kort gezegd, een perscontact voor zover dit zich verdraagt met een aantal met name genoemde belangen. Hier vindt derhalve een positieve toetsing plaats aan elk van de genoemde belangen. In het eerste lid van artikel 40 van de Pbw zijn deze belangen vermeld. De verantwoordelijkheid van de directeur voor de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming strekt zich uitdrukkelijk ook uit tot de bescherming van slachtoffers en andere bij misdrijven betrokkenen, medegedetineerden en personeelsleden. Met name in gevallen waar het om inrichtingsoverstijgende belangen gaat, zoals het karakter van de vrijheidsbeneming en de functie die de vrijheidsbeneming overeenkomstig de heersende rechtsovertuiging in het geheel van de rechtshandhaving heeft - welke onder meer in onderdeel b worden bedoeld ligt het voor de hand dat de directeur, voordat hij een beslissing neemt, zich verstaat met het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) opdat een eenduidig beleid terzake wordt gevoerd. Dergelijke procedurele aspecten zullen nader vorm krijgen in de onderliggende regelgeving. De in het tweede lid bedoelde voorwaarden zullen met name betrekking kunnen hebben op de effectuering van deze verantwoordelijkheid. Ik denk hierbij aan afspraken omtrent het voor publicatie of uitzending kennis nemen van het journalistieke product en het bedingen van een vetorecht aangaande de openbaarmaking. De beperkingen gelden zowel voor het telefonisch contact als voor bezoek van persvertegenwoordigers aan gedetineerden. De perscontacten in de zin van artikel 40 van de Pbw dienen te worden beschouwd als een extra faciliteit die kan worden verleend in aanvulling op de normale bezoek- en telefoneermogelijkheden."

Artikel van de 40 van de Pbw bevat derhalve als uitgangspunt voor interviews met de pers: nee, tenzij vooraf toestemming is verleend.

In de Circulaire contacten tussen gedetineerden/directeuren en media van 18 juni 1999, kenmerk 761025/99/DJI, welke de Regeling contacten tussen individuele gedetineerden en pers (regeling 1218/384) vervangt, wordt nader ingegaan op contacten tussen gedetineerden en de media. Ook daarin wordt de nadruk gelegd op het behoud van het karakter van de vrijheidsbeneming en de functie die de vrijheidsbeneming overeenkomstig de heersende rechtsovertuiging in het geheel van de rechtshandhaving heeft. De bescherming van de rechten en vrijheden van slachtoffers en nabestaanden wordt nadrukkelijk genoemd. Ingeval een gedetineerde veroordeeld is wegens een geweldsdelict en het onderwerp een "landelijke uitstraling" heeft, is een extra procedurele waarborg ingebouwd. In dat geval dient het verzoek aan de persvoorlichter van de DJI ter beoordeling te worden voorgelegd.

De RSJ slaat bij de beoordeling van de weigering van de directeur om een mediacontact toe te staan acht op deze wetsgeschiedenis en Circulaire. Zie voor een voorbeeld: RSJ 29 augustus 2006, 06/1371/GA. In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt erkend dat de ernst van de feiten waarvoor degene die een vrijheidsstraf ondergaat is veroordeeld een rechtvaardiging is om hem contacten met de media te ontzeggen. Zie: EHRM 20 januari 2000 (Hogefeld tegen Duitsland), Appl. No. 35402/97.

Het gaat in deze zaak om de weigering van een mediacontact aan klager, vanwege strijdigheid met meerdere belangen als bedoeld in artikel van de 40 van de Pbw. Het standpunt van de directeur is in de reactie op het beklag van 11 juni 2020 uiteengezet. Samengevat komt het op het volgende neer. De directeur kan toestemming geven voor een gesprek tussen een gedetineerde en een vertegenwoordiger van de media voor zover dit contact zich verdraagt met een aantal nader aangeduide belangen. In deze zaak zijn relevant de in artikel 40, eerste lid, aanhef en sub b en c van de Pbw genoemde belangen: de bescherming van de openbare orde en de goede zeden en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de gedetineerde. Het mediacontact is een inbreuk op de openbare orde en goede zeden, nu klager is veroordeeld voor geweldsmisdrijven die de samenleving hebben geschokt. Hem thans de mogelijkheid bieden om zijn visie te geven op gevoelige politieke ontwikkelingen in een ander land zal door het publiek en de bij die politieke ontwikkelingen betrokken landen niet worden begrepen en tot onrust en verontwaardiging (kunnen) leiden. Het belang van de bescherming van de openbare orde en goede zeden is ook in het geding wanneer een mediacontact de politieke relaties met andere landen kan schaden. Een gedetineerde die zichzelf afficheert als een belangrijke figuur binnen de Koerdische gemeenschap toestaan om zich uit te spreken over politieke ontwikkelingen in een historisch-geografische landstreek (Koerdistan) waarover veel internationale controverse bestaat, raakt zonder twijfel aan de relaties met andere landen.

Daarnaast kan of zal het mediacontact onrust en boosheid veroorzaken bij de slachtoffers en nabestaanden van de feiten waarvoor klager is veroordeeld. Bedoelde personen en nabestaanden of familieleden van bedoelde slachtoffers zullen door een interview van klager met een internetkrant opnieuw worden geconfronteerd met de feiten die klager heeft gepleegd en daardoor gevoelens van onrust, onveiligheid en boosheid kunnen voelen. Dit is een ervaringsfeit, niet een speculatie over onbekende gevolgen. De omstandigheid dat klager zal worden geïnterviewd over een ander onderwerp dan zijn strafzaak maakt het voorgaande niet anders. Klager is veroordeeld voor feiten die grote gevolgen hebben gehad voor tal van mensen. Hij heeft die gevolgen op de koop toegenomen toen hij de bewezenverklaarde feiten pleegde. De bescherming van de slachtoffers en/of nabestaanden komt meer gewicht toe dan het belang van klager om tijdens zijn detentie zijn mening te kunnen geven over politieke ontwikkelingen in een landstreek in het Midden-Oosten die hem na aan het hart ligt.

De door de directeur toegepaste belangenafweging is redelijk.

De aan de beslissing van de directeur ten grondslag gelegde gronden maken duidelijk dat aan het mediacontact te stellen voorwaarden de in het geding zijnde belangen niet alsnog voldoende kunnen beschermen.

De directeur kan zich gelet op het voorgaande niet met de uitspraak van de beklagcommissie verenigen en voert voor zijn beroep de navolgende gronden aan.

1. Ten onrechte heeft de beklagcommissie overwogen dat de belangen van slachtoffers en nabestaanden minder zwaar wegen dan het belang van klager bij het geven van een interview, nu het verzoek om een interview niet de strafzaak van klager betreft.

Aan klager is een levenslange gevangenisstraf opgelegd voor een aantal uiterst ernstige feiten. Verwezen wordt naar de beschrijving van het veroordelende arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 juli 2002 in de reactie op het beklag. Bij de keuze voor een levenslange gevangenisstraf heeft voor de strafrechter een belangrijke rol gespeeld dat levens van anderen voor klager van generlei waarde zijn geweest en dat de criminele organisatie waarvan klager leider was een niets ontziend karakter had. Het gaat dus om feiten die diep hebben ingegrepen in de levens van anderen en dat tot op de dag van vandaag doen. Aan klager een podium bieden voor een interview met een internetkrant met een ruim en internationaal bereik zal die slachtoffers en nabestaanden opnieuw confronteren met de persoon die verantwoordelijk is voor hun verlies en verdriet. Dat is niet slechts het geval indien het interview over de strafzaak gaat, maar evenzeer wanneer dat gaat over een politiek onderwerp. Denkbaar is dat een interview over een dergelijk onderwerp zelfs tot meer onbegrip, boosheid en verontwaardiging van slachtoffers en nabestaanden leidt dan een interview over de strafzaak. De vraag is dan: waarom biedt de Staat een tot levenslang veroordeelde persoon een podium om zich over een (gevoelige en omstreden) politieke kwestie in het openbaar uit te laten? De beklagcommissie heeft de impact van een interview met klager voor zijn slachtoffers en/of hun nabestaanden onderschat en hun rechten en vrijheden onvoldoende gewicht toegekend.

2. De beklagcommissie heeft te veel gewicht toegekend aan een in 2016 toegestaan interview.

Voor de beklagcommissie heeft kennelijk zwaar gewogen dat in 2016 aan klager wel toestemming is verleend om een interview te geven en de in het onderhavige geval aangevoerde bezwaren toen kennelijk niet aan de orde waren. Elk verzoek moet op de eigen merites worden beoordeeld. De overwegingen van de beklagcommissie op dit punt komen er in essentie op neer dat vanwege de eerder verleende toestemming nieuwe interviews niet of nooit meer zouden mogen worden geweigerd. Dat is alleen al niet houdbaar omdat het in 2016 ging om een Nederlandse uitzending van een lokale radiozender (Radio Zaanstad, het programma […], terwijl het thans gaat om een internationale, althans buitenlandse zender en bovendien om een internetzender. Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag werd namens klager voorgehouden dat de zender een groot bereik heeft. Bovendien heeft te gelden dat het interview in 2016 alleen over de strafzaak van klager en het herzieningsverzoek in die zaak mocht gaan. Die voorwaarde is op voorhand nadrukkelijk aan de advocaat van klager voorgehouden en aan de interviewer meegedeeld. In het onderhavige geval gaat het om een ruim geformuleerd onderwerp, te weten recente politieke ontwikkelingen in Koerdistan. Dat bergt het risico in zich dat de directeur geen regie op de inhoud kan voeren (temeer nu bovendien een live interview wordt beoogd) en er uitlatingen worden gedaan die zowel slachtoffers en nabestaanden schokken, als de openbare orde en goede zeden (in de vorm van politieke onrust in binnen- of buitenland) schaden. Dat is derhalve een onvergelijkbare situatie. Om die reden kan de beklagcommissie niet worden gevolgd in de overweging dat niet is gebleken dat eerdere mediacontacten van klager hebben geleid tot politieke onrust in binnen- of buitenland. Die eerdere contacten (de beklagcommissie heeft het slechts over één mediacontact, in 2016) gingen immers niet over het politiek gevoelige onderwerp van de Koerdische kwestie. Onbegrijpelijk is voorts de overweging dat de in 2016 gestelde voorwaarden enkel betrekking hadden op het niet-vermelden van informatie over de inrichting waar klager destijds verbleef en dat de voorwaarden kennelijk niet betrekking hadden op de strafzaak van klager of de banden met de Koerdische Staat. Tijdens de mondelinge behandeling van het beklag heeft de advocaat van klager een e-mail overgelegd van de radiomaker in kwestie […], waarin deze expliciet opmerkt dat het live interview alleen gaat over de zaak van klager en waarom hij nog steeds vast zit. Voorts heeft de directeur na afloop van de beklagzitting op verzoek van de beklagcommissie een brief aan de advocaat van klager van 13 april 2016 overgelegd, waarin nadrukkelijk de voorwaarde is opgenomen "dat het interview zich uitsluitend beperkt tot de strafzaak van uw cliënt en het herzieningsverzoek". Daaraan wordt toegevoegd dat het interview geen betrekking heeft op het regime en/of personeelsleden van de penitentiaire inrichting (PI) Heerhugowaard en dat de interviewer conform de inhoud van de brief zal worden geïnformeerd.

Klager heeft gewezen op meer en andere perscontacten die zijn toegestaan. Aan de toestemming daarvoor is steevast de voorwaarde verbonden dat het perscontact alleen de strafzaak en/of het herzieningsverzoek kon betreffen. Die contacten zijn daarmee onvergelijkbaar met het mediacontact dat in de onderhavige zaak aan de orde is.

3. De beklagcommissie heeft het belang van de openbare orde en goede zeden aan de ene kant en de door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde vrijheid van meningsuiting aan de andere kant verkeerd gewogen.

De beklagcommissie overweegt dat de vrijheid van meningsuiting ten aanzien van gedetineerden door de directeur kan worden beperkt, dat dit voldoende moet worden onderbouwd en dat de omstandigheid dat een persoon (in beginsel levenslang) gedetineerd is daartoe onvoldoende is. Deze overwegingen doen geen recht aan het door de directeur ingenomen standpunt.

De directeur heeft zich niet op het standpunt gesteld dat klager geen interview kan worden toegestaan omdat hij gedetineerd is. De in het verleden verleende toestemming om met de pers over zijn strafzaak en herzieningsverzoek te mogen praten, maakt dit reeds duidelijk. Aan de vrijheid van meningsuiting kunnen - blijkens het tweede lid van artikel 10 EVRM - beperkingen worden gesteld. De in het tweede lid genoemde gronden voor die beperking hebben hun neerslag gevonden in de belangen genoemd in artikel 40 van de Pbw. Het belang van de bescherming van de openbare orde en goede zeden (het belang sub b in artikel 40, eerste lid, van de Pbw) correspondeert met de 'bescherming van de gezondheid of de goede zeden' van artikel 10, tweede lid EVRM.

Voorts geldt dat het recht op vrije meningsuiting bij het aangaan van mediacontacten door gedetineerden niet voorop staat. Artikel 40 van de Pbw, de wetsgeschiedenis van deze bepaling en de Circulaire contacten tussen gedetineerden/directeuren en media van 18 juni 1999 maken dit duidelijk. De verantwoordelijkheid van de directeur voor een ongestoorde tenuitvoerlegging van een straf strekt zich ook uit tot bescherming van de openbare orde en goede zeden. Laatstgenoemd belang omvat ook het voorkomen van schade aan politieke relaties met andere landen.

De bestreden overweging bouwt voort op de onjuiste premisse dat aan klager in het verleden toestemming is verleend om een interview te geven over de Koerdische kwestie. Omdat het interview in 2016 niet kenbaar tot politieke onrust in binnen- of buitenland heeft geleid, kan die mogelijke onrust ook nu niet een argument zijn om de vrijheid van meningsuiting van klager in te perken, aldus de beklagcommissie. Eerdere mediacontacten hebben echter nimmer de Koerdische kwestie tot onderwerp gehad. De weigering om klager over dit onderwerp een podium te bieden voldoet aan de 'fair balance'-toets, de afweging tussen het belang van de bescherming van de openbare orde en goede zeden enerzijds en het belang van klager om zijn mening te geven anderzijds. De ernst van de feiten waarvoor degene die een vrijheidsstraf ondergaat is veroordeeld, is bovendien een rechtvaardiging om hem contacten met de media te ontzeggen (EHRM 20 januari 2000 (Hogefeld tegen Duitsland), Appl. No. 35402/97). De strafrechter heeft met de oplegging van een levenslange gevangenisstraf beoogd dat klager in beginsel niet terugkeert naar de vrije samenleving en de daarbinnen voor hem geldende rechten en vrijheden.

Daarmee strookt dat klager zich niet vrijelijk in interviews (er is reeds toestemming gevraagd voor een volgend interview over de Koerdische kwestie) met buitenlandse radio-/TV- en internetzenders zou kunnen uiten over een gevoelig politiek onderwerp als de Koerdische kwestie.

4. Ten onrechte heeft de beklagcommissie geoordeeld dat het interview onder voorwaarden en middels een opname (in plaats van live) kan plaatsvinden.

De directeur heeft in haar reactie op het beklag en tijdens de mondelinge behandeling als standpunt gegeven dat de bezwaren tegen het interview niet kunnen worden weggenomen door daaraan voorwaarden te verbinden. De beklagcommissie miskent dit door te overwegen dat haar niet is gebleken dat de directeur voorwaarden of uitzending van een opgenomen interview heeft overwogen. Een interview opnemen en de voorwaarde dat uitzending eerst kan plaatsvinden nadat de inhoud is goedgekeurd, bieden geen soelaas in de situatie dat het interview als zodanig strijdig moet worden geacht met de openbare orde en goede zeden en met de rechten en vrijheden van slachtoffers en nabestaanden. Het bezwaar van de directeur is immers niet slechts dat in een live interview politiek onwenselijke of voor slachtoffers en nabestaanden kwetsende dingen kunnen worden gezegd, maar tevens dat het toestaan van het interview over een politiek gevoelig onderwerp reeds strijdig moet worden geacht met de rechten en vrijheden van slachtoffers en nabestaanden enerzijds en met de openbare orde en goede zeden anderzijds.

 

Standpunt van klager

De raadsvrouw van klager heeft het standpunt van klager toegelicht overeenkomstig de door haar toegezonden schriftelijke aantekeningen. Samengevat komt het standpunt op het volgende neer.

De beklagcommissie overweegt onder punt 3.3 van de uitspraak dat de vrijheid van meningsuiting een groot goed is dat niet enkel beperkt kan worden omdat een gedetineerde levenslang gedetineerd is. Het verzoek om een interview te geven aan […] betreft daarbij niet de strafzaak van klager maar zijn betrokkenheid bij een Koerdische Staat. Klager heeft in 2016 toestemming gekregen voor een live interview en aan dat interview zijn alleen voorwaarden gesteld die betrekking hebben op het verstrekken van informatie over de inrichting waar klager toen verbleef en is niet de voorwaarde gesteld dat hij niet mocht spreken over zijn strafzaak of de Koerdische Staat. Kennelijk bestond daar indertijd geen bezwaar tegen en er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die hebben geleid tot een afwijzing van een interview in 2020. Niet is gebleken dat de belangen van eventuele slachtoffers en nabestaanden de afgelopen jaren groter zijn geworden of dat eerdere mediacontacten hebben geleid tot politieke onrust in binnen- of buitenland.

De gronden van het beroep missen zowel feitelijk als juridisch iedere grond. In de toelichting op de gronden wordt gesteld dat het EHRM in de zaak Hogefeld tegen Duitsland (EHRM 20 januari 2000) heeft erkend dat de ernst van de feiten waarvoor degene die een gevangenisstraf ondergaat is veroordeeld een rechtvaardiging is om hem contacten met de media te ontzeggen. Deze samenvatting van de uitspraak in de zaak Hogefeld berust op een onjuiste of ongenuanceerde interpretatie van de uitspraak. Uit de uitspraak blijkt dat het EHRM de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting niet billijkt omdat Hogefeld voor ernstige feiten is veroordeeld, maar omdat zij – een van de kopstukken van de gewelddadige RAF - nog steeds het gedachtengoed van de RAF uitdraagt en gevreesd wordt dat haar uitlatingen door supporters worden opgevat als een aanmoediging om de activiteiten van de RAF voort te zetten. De vergelijking tussen de zaak Hogefeld en de onderhavige zaak gaat mank. Er bestaat geen enkele relatie tussen de feiten waarvoor klager in Nederland werd veroordeeld en datgene waarover de journalisten van […] hem willen interviewen. Integendeel, in de kwestie waarover de Koerdische media met hem willen praten - de oplossing van het ‘Koerdische probleem’ en een beter leven voor het Koerdische volk - draagt hij consequent uit dat het doel met legale, juridische en politieke middelen moet worden gerealiseerd. Wat de landsadvocaat en directeur buiten beschouwing laten, is dat klager zich al ver voor zijn veroordeling en arrestatie in Nederland actief inzette voor een onafhankelijk Koerdistan. Dat is zijn levensmissie. In 2018 is op initiatief van klager de Koerdische regering in ballingschap opgericht. In vervolg daarop heeft klager met behulp van gespecialiseerde juristen de Submission voor de Verenigde Naties opgesteld. In de loop der jaren heeft klager vertegenwoordigers van diverse landen op bezoek gehad ter bespreking van zijn streven en om steun te verkrijgen voor dit project van een nieuw en onafhankelijk Koerdistan. Al deze bezoeken vonden plaats met toestemming van de gevangenisdirecteuren, waaronder die van De Schie. Dat roept de vraag op waarom klager wel met vertegenwoordigers van andere landen mag praten over zijn project, maar daar geen uitleg over mag geven aan een breder publiek. Mr. […] en de raadsvrouw hebben na de weigering vorig jaar door de directeur om klager een interview voor […] toe te staan, in klagers plaats de zender te woord gestaan. Van negatieve reacties op dat interview is niet gebleken. Als hetgeen klager te melden heeft over de Koerdische kwestie commotie zou veroorzaken, zou dat ook moeten gelden voor hetgeen zij namens klager hebben verteld bij […]. De regering in ballingschap van de United States of Kurdistan is een volledig legale organisatie.

De landsadvocaat benadrukt meermalen dat het gevraagde interview een politiek gevoelig thema betreft. De vraag is voor wie. Het feit dat klager zich wil uiten over een kennelijk politiek gevoelig thema kan op zich geen reden zijn om hem monddood te maken. Daar verzet artikel 10 EVRM zich tegen.

De landsadvocaat stelt onder meer dat het belang van de bescherming van de openbare orde en goede zeden ook in het geding is wanneer een mediacontact de politieke relaties met andere landen kan schaden. De vrijheid van meningsuiting strekt zich uit tot het uiten van gedachten of meningen die niet populair zijn. Het EHRM benadrukt dat ook in alle uitspraken over artikel 10 EVRM. Klager betwist dat de wetgever met artikel 40 van de Pbw beoogd heeft de politieke relaties met andere landen te beschermen. Dit blijkt in ieder geval niet uit de memorie van toelichting bij het artikel.

Een andere relevante vraag in dit verband is waarom een interview van klager over de Koerdische kwestie de politieke verhouding met Turkije zal schaden. Klager spreekt op persoonlijke titel en niet namens Nederland. Het te geven interview heeft daarbij geen andere bedoeling dan het informeren van de Koerdische bevolking in (onder andere) Turkije over de – volstrekt legale – inspanningen die door hem en geestverwanten worden gedaan om bij de VN steun te krijgen voor een onafhankelijk Koerdistan. 

De landsadvocaat poneert naast de noodzaak om de openbare orde en goede zeden te beschermen, dat het gevraagde mediacontact, ook als het inhoudelijk niet over de strafzaak gaat, onrust en boosheid zal veroorzaken bij slachtoffers en nabestaanden. Dit bevreemdt, omdat dit niet wordt geconcretiseerd. Er wordt slechts in algemene termen gesproken over slachtoffers die gekwetst zouden kunnen worden door politieke uitspraken van klager over de Koerdische kwestie.

De landsadvocaat stelt tevens dat het interview met de […] dat klager in 2016 is toegestaan, slechts een gering bereik had. Het interview met […] waar de onderhavige procedure om draait, zou daarmee niet vergelijkbaar zijn. Dit argument is irrelevant. Het bereik van een bepaald medium is geen criterium of weigeringsgrond in de zin van artikel 40 van de Pbw of artikel 10 EVRM. Op de tweede plaats geldt dat de […] vanuit Nederland werd uitgezonden, maar de opnames van het programma zijn na de uitzending beschikbaar gebleven via internet. In dat opzicht is er geen verschil tussen een interview met de […] en een interview met […]. Het in het Engels gevoerde interview met klager is ook in het buitenland regelmatig beluisterd. De raadsvrouw heeft vernomen dat er louter positieve reacties op het interview zijn gekregen en geen enkele aanwijzing dat het betreffende interview tot commotie of negatieve reacties van de zijde van slachtoffers, nabestaanden of wie dan ook heeft geleid. De landsadvocaat stelt daarbij ten onrechte dat het interview met de […] geen betrekking had op de Koerdische kwestie. Uit het interview blijkt dat het begint met een toelichting van klager op zijn Koerdische achtergrond en zijn inzet voor een Koerdisch parlement in ballingschap. In de brief van de directeur is ook niet vermeld dat klager niet over de Koerdische kwestie mag spreken, zoals de landsadvocaat stelt. De directeur vermeldt alleen dat niet over de staf van de PI mag worden gesproken.

In de toelichting op het beroep ontkent de landsadvocaat dat klager ooit eerder toestemming kreeg om interviews aan journalisten te geven over de Koerdische kwestie en over zijn eigen politieke activiteiten ten behoeve van een onafhankelijk Koerdistan. Ook dat klopt niet. Klager heeft met toestemming van verschillende gevangenisdirecteuren gesprekken in ambtelijke bezoekkamers mogen voeren met mensen van wie de directie uitdrukkelijk wist dat zij publicaties voorbereidden over de strafzaak van klager. Iedereen met enige kennis over de zaak van klager, weet dat klager en zijn verdediging de Nederlandse strafzaak direct koppelen aan klagers eerdere politieke activiteiten ten faveure van de Koerdische kwestie. Zo heeft klager mogen meewerken aan het interview van […] van het NRC Handelsblad, dat heeft geleid tot een uitgebreid artikel. Daarin is expliciet met klager gesproken over diens missie voor een onafhankelijk Koerdistan. Verder heeft klager interviews mogen geven aan de auteurs van het boek ‘[…]’ van […] & […]. Dit boek is uitgebracht in 2017. Ook aan wetenschapsfilosoof […], die diverse boeken heeft geschreven over de zaak van klager, heeft klager de afgelopen jaren interviews mogen geven. Binnenkort komt nog een boek uit. In meer of mindere mate gaan alle genoemde publicaties (mede) over de mogelijke relatie tussen de politieke activiteiten van klager en zijn veroordeling.

 

3. De beoordeling

Het verzoek van klager om deel te nemen aan een interview bij […] is namens hem op 10 maart 2020 bij de directeur ingediend. De directeur heeft in haar schriftelijke reactie van 19 mei 2020 de beslissing genomen om het verzoek van klager om een interview af te wijzen.

 

Wettelijk kader

Artikel 10 EVRM regelt het recht op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en luidt als volgt:

1: Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep- en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2: Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Dit recht als genoemd in artikel 10 EVRM is dus onderworpen aan beperkingen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn. De wettelijke neerslag daarvan is waar het klagers verzoek betreft geregeld in artikel 40 van de Pbw:

1. De directeur kan toestemming geven voor het voeren van een gesprek tussen de gedetineerde en een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit zich verdraagt met de volgende belangen:

a. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting; b. de bescherming van de openbare orde en de goede zeden; c. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de gedetineerde; d. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.

2. De directeur kan met het oog op de bescherming van de in het eerste lid genoemde belangen aan de toegang van een vertegenwoordiger van de media tot de inrichting voorwaarden verbinden. De directeur is bevoegd een vertegenwoordiger van de media uit de inrichting te doen verwijderen, indien hij de hem opgelegd voorwaarden niet nakomt.

3. De directeur kan op het contact met een vertegenwoordiger van de media toezicht uitoefenen, indien dit noodzakelijk is met het oog op een belang als bedoeld in het eerste lid. Artikel 38, vierde lid, tweede en derde volzin, en vijfde, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Pbw wordt met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel de tenuitvoerlegging hiervan zoveel mogelijk en afhankelijk van het gedrag van de betrokkene dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer in de samenleving. Bij het verlenen van vrijheden aan gedetineerden wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden.

In onderdeel 15 onder d van de memorie van toelichting op de Pbw (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3) is onder meer het volgende bepaald:

De verantwoordelijkheid van de directeur voor de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming strekt zich uitdrukkelijk ook uit tot de bescherming van slachtoffers en andere bij misdrijven betrokkenen, medegedetineerden en personeelsleden. Met name in gevallen waar het om inrichtingsoverstijgende belangen gaat, zoals het karakter van de vrijheidsbeneming en de functie die de vrijheidsbeneming overeenkomstig de heersende rechtsovertuiging in het geheel van de rechtshandhaving heeft – welke onder meer in onderdeel b worden bedoeld – ligt het voor de hand dat de directeur, voordat hij een beslissing neemt, zich verstaat met het hoofd van de DJI opdat een eenduidig beeld terzake wordt gevoerd.  

De procedure ten aanzien van contacten met de media is nader uitgewerkt in de Circulaire contacten tussen gedetineerden/directeuren en de media (d.d. 18 juni 1999, nr. 761025/99/DJI) (verder: de Circulaire). Hierin staat – voor zover in dit kader van belang – vermeld: “(…) Een verzoek met betrekking tot contact tussen een vertegenwoordiger van de media en de gedetineerde of de directeur wordt schriftelijk bij u ingediend ongeacht wie de initiatiefnemer is. Het verzoek bevat een uiteenzetting van het onderwerp en het kader waarbinnen het onderwerp wordt geplaatst. Alvorens hierop te beslissen, wordt het verzoek door u altijd aan de persvoorlichter van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) ter beoordeling voorgelegd indien: 8. het onderwerp ‘landelijke uitstraling’ heeft.” Uit het voorgaande komt naar voren dat de directeur een eigen bevoegdheid heeft om al dan niet toestemming te geven voor contact met de media. De directeur dient bij zijn beslissing een afweging te maken tussen enerzijds de belangen van de gedetineerde bij het voeren van een gesprek met de media en anderzijds de in artikel 40, eerste lid, van de Pbw genoemde belangen en een eventueel negatief advies van de persvoorlichter.

In deze zaak heeft de directeur de beslissing genomen in samenspraak met de persvoorlichter van DJI. Een nadere, schriftelijke onderbouwing van de zijde van DJI ontbreekt. 

Uit de schriftelijke toelichting van de beslissing van de directeur van 19 mei 2020 blijkt dat de directeur klagers verzoek om twee redenen heeft afgewezen namelijk: 1. vanwege de bescherming van de openbare orde en de goede zeden, en 2. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen dan de gedetineerde. Het betreft hier de in artikel 40, eerste lid, van de Pbw onder b en c genoemde gronden.

Ten aanzien van de eerste grond voor de weigering overweegt de beroepscommissie het volgende. De vraag die ter beoordeling voorligt, is of de directeur in redelijkheid klagers verzoek heeft kunnen afwijzen op grond van de bescherming van de openbare orde en de goede zeden. De beroepscommissie overweegt als volgt.

Vaststaat dat klager op 30 juli 2002 bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De uitspraak is onherroepelijk en de directeur heeft dit gegeven in redelijkheid en billijkheid kunnen betrekken bij de beoordeling van klagers verzoek om een interview te geven bij […]. Hoewel klager is veroordeeld voor misdrijven die de samenleving hebben geschokt, levert de enkele omstandigheid dat hij vanwege deze misdrijven tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, niet zonder meer een toereikende weigeringsgrond op. De vraag is vervolgens of, zoals door de directeur is gesteld, het uiteenzetten door klager van zijn visie op gevoelige politieke onderwerpen, zodanige onrust en verontwaardiging oplevert dat de openbare orde en de goede zeden in het geding zijn.

Daarbij is het volgende van belang. Voor zover namens de directeur is gewezen op de jurisprudentie van het EHRM inzake Hogefeld tegen Duitsland (EHRM 20 januari 2000) gaat deze vergelijking mank. Het verbod op het interview door Hogefeld had immers verband met de omstandigheid dat Hogefeld de door haar gepleegde misdrijven nog altijd verheerlijkte en dat dit interview de samenleving zou schokken doordat anderen dit interview als een oproep tot geweld konden opvatten. Niet onderbouwd is dat in de zaak van klager een dergelijke situatie aan de orde is.

Aan klager is al eerder in 2016 toestemming verleend om een live interview te geven. Aan dit live interview waren destijds voorwaarden gesteld. Hoewel dit interview zou gaan over zijn strafzaak, is tijdens het interview door klager gesproken over de Koerdische kwestie. Niet gebleken is dat dit interview tot politieke onrust of negatieve reacties heeft geleid. De stelling dat het aan klager toestaan om zich uit te spreken over een politiek gevoelig onderwerp, zonder twijfel de relaties met andere landen raakt, zal leiden tot politieke onrust en reeds daarom strijdig moet worden geacht met de openbare orde en goede zeden, acht de beroepscommissie daarom onvoldoende onderbouwd. 

Het argument dat het interview met de […] in 2016 een geringer bereik had, is niet houdbaar, nu dit interview nog steeds op het internet beschikbaar is om te beluisteren. Daarnaast is klager ook eerder toestemming verleend om mee te werken aan een interview met het NRC Handelsblad waarin de Koerdische kwestie is besproken en met auteurs die boeken over hem hebben gepubliceerd. Het argument dat klager eerder niet met de media over de Koerdische kwestie heeft gesproken wordt daarmee weerlegd.

De beroepscommissie stelt op grond van het voorgaande vast dat klager eerder in de media over de Koerdische kwestie heeft gesproken en dat niet is onderbouwd dat deze eerdere optredens van klager in de media tot politieke of maatschappelijk onrust hebben geleid. Namens de directeur is niet naar voren gebracht dat zich na 2016 nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan waardoor dat nu anders zou zijn.

Namens de directeur is naar voren gebracht dat elk verzoek op zijn merites dient te worden beoordeeld en dat de omstandigheid dat in het verleden geen onrust is ontstaan, niet betekent dat dit bij het huidige interview ook zo zal zijn. Namens de directeur is hiertoe naar voren gebracht dat het onderhavige interview de relaties met andere landen zou kunnen schaden. Hierbij geldt het volgende. Ook ter zitting van de beroepscommissie is diverse malen gevraagd naar een concrete onderbouwing van deze stelling. Een nadere onderbouwing is echter achterwege gebleven. Zonder nadere toelichting kan de beroepscommissie niet vaststellen op wat voor manier het interview de relaties met andere landen zou kunnen schaden en op wat voor manier, zoals namens de directeur is gesteld, daarmee de openbare orde in het geding zou kunnen komen. Ook aan deze grond wordt daarom voorbijgegaan.  

Ten aanzien van de tweede grond voor de weigering schiet het argument dat het toestaan van mediacontact zich niet verdraagt met de belangen van slachtoffers en nabestaanden tekort, omdat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, die bevestigen dat de belangen van slachtoffers en nabestaanden in het gedrang zullen komen.

Allereerst is daarbij van belang dat het interview niet zal gaan over de strafzaak van klager of over de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Het argument dat slachtoffers en nabestaanden opnieuw zullen worden geconfronteerd met door klager gepleegde feiten is daarom niet goed te volgen. Het enkele feit dat slachtoffers of nabestaanden ervan zullen schrikken dat klager de mogelijkheid wordt geboden om een interview te geven, rechtvaardigt in dit geval niet het  inperken van klagers vrijheid van meningsuiting door middel van het geheel verbieden van het interview.

De beroepscommissie vindt dus onvoldoende onderbouwd dat met het interview, dat zal gaan over de Koerdische kwestie, uitlatingen zullen worden gedaan die tot politieke onrust of onbegrip zullen leiden bij het publiek of politieke relaties met andere landen zullen schaden. Ook is onvoldoende onderbouwd dat dit interview tot onrust en verontwaardiging zal leiden bij slachtoffers en nabestaanden. Uit de bestreden beslissing van de directeur en de toelichting daarop blijkt niet van (nieuwe) feiten of omstandigheden die daarvoor voldoende, concrete, aanwijzingen bieden. Daarbij komt dat klager in het betreffende interview niet over zijn strafzaak zal praten. Dat volgens de directeur denkbaar is dat een interview over een politiek onderwerp zelfs tot meer onbegrip en boosheid bij slachtoffers en nabestaanden kan leiden dan over de strafzaak, acht de beroepscommissie niet aannemelijk geworden.

De vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Deze vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt door de directeur, maar dan moet dit voldoende onderbouwd zijn. De beroepscommissie is van oordeel dat de directeur het verzoek van klager om dit interview te geven onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Ook uit het hetgeen ter zitting is aangevoerd is de beroepscommissie niet gebleken dat de standpunten van de directeur de afwijzing kunnen rechtvaardigen. Aan de beoordeling van de stelling van de directeur dat de in artikel 40, aanhef en eerste lid onder b en c, van de Pbw genoemde belangen niet kunnen worden beschermd door nadere voorwaarden te verbinden komt de beroepscommissie niet toe. Dit omdat onvoldoende is onderbouwd dat die belangen in het gedrang raken op het moment dat het interview wordt gegeven. Alles in samenhang bezien acht de beroepscommissie de beslissing in dit geval onredelijk en onbillijk.

Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie inhoudelijk dan ook niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. De beroepscommissie heeft geconstateerd dat klager thans in een andere inrichting verblijft. Gelet daarop kan van een opdracht aan de directeur tot het nemen van een nieuwe beslissing geen sprake (meer) zijn. De uitspraak van de beklagcommissie zal daarom in zoverre worden vernietigd. De beroepscommissie ziet aanleiding om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen. Zij zal deze vaststellen op €10,-.

Voor het overige is het beroep ongegrond en zal de uitspraak van de beklagcommissie worden bevestigd, met aanvulling van de gronden.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover het de opdracht aan de directeur tot het nemen van een nieuwe beslissing betreft. Zij verklaart het beroep voor het overige ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie in zoverre, met aanvulling van de gronden.

Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van €10,-.

 

Deze uitspraak is op 30 juni 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. E. Dinjens, voorzitter, mr. J.B. Oreel en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door mr. K. Kiela, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven