Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/8269/GA, 10 augustus 2021, beroep
Uitspraakdatum:10-08-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/8269/GA

    

           

Betreft [klager]

Datum 10 augustus 2021

 

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de beslissing van 22 september 2020 klagers oom te weigeren als bezoeker.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught heeft op 12 oktober 2020 het beklag ongegrond verklaard (VU 2020/1644). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en namens de inrichting, […] en […], beiden afdelingshoofd, bijgestaan door de landsadvocaat,  via een telehoorvoorziening gehoord op de zitting van 19 mei 2021 op het secretariaat van de RSJ.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De directeur verwijst ter onderbouwing van zijn beslissing naar Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP)-informatie. Klager meent dat dit onvoldoende is om de aanwezigheid van een weigeringsgrond te onderbouwen. De omstandigheid dat het rapport is opgesteld in september 2020 maakt niet dat sprake is van recente informatie die aan het rapport ten grondslag ligt. Op geen enkele wijze wordt toegelicht wanneer de oom het gestelde gedrag zou hebben vertoond en welke hand- en spandiensten zouden zijn verleend. De informatie is niet concreet. De oom komt op geen enkele wijze voor in het procesdossier van klagers strafzaak. Klager verwijst naar de GRIP-circulaire en meent dat de beklagcommissie onvoldoende informatie heeft gehad om de redelijkheid en billijkheid van de beslissing te toetsen. Het wel overgelegde GRIP-rapport is onvoldoende om een weigering te onderbouwen. Klager meent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de directeur moet worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Klager wil een tegemoetkoming.

In beroep heeft klager een beslissing van 24 maart 2021 overgelegd met een positieve uitslag van de screening van de betreffende oom. De oom wordt nu wel toegestaan op bezoek te komen. Deze positieve screening roept vragen op ten aanzien van de eerdere negatieve screening. Het bezoek in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) vindt plaats in een aparte ruimte en achter glas. Er wordt meegekeken en meegeluisterd, de gesprekken worden opgenomen en desgewenst vertaald. Klager meent dat het risico hierdoor illusoir wordt.

 

Standpunt van de directeur

Klager verblijft in de EBI op grond van voorlopige hechtenis. Klager wordt verdacht van een groot aantal zeer ernstige strafbare feiten. In twee strafrechtelijke onderzoeken wordt klager verdacht van strafbare feiten, in vier andere strafrechtelijke onderzoeken is hij onderwerp van onderzoek. Aan de plaatsing in de EBI is GRIP-informatie ten grondslag gelegd over (mogelijke) plannen om klager uit de EBI te bevrijden. Voorts zijn er concrete aanwijzingen dat klager een dodenlijst hanteert. Het OM houdt er rekening mee dat klager vanuit detentie in staat is opdrachten uit te zetten. Hij heeft de macht, middelen en mogelijkheden om – al dan niet via medegedetineerden – zijn invloed te laten gelden. Een essentieel onderdeel van het regime in de EBI is dat een zo volledig mogelijk toezicht kan worden uitgeoefend op de communicatie van klager met de buitenwereld. Dat betekent dat op alle contacten die klager met de buitenwereld heeft, bijvoorbeeld telefonisch, per post of bij bezoek, toezicht wordt uitgeoefend. Dat toezicht draagt bij aan het beperken van de risico’s die van klager uitgaan.

De directeur heeft op 22 september 2020 besloten dat klager geen bezoek mag ontvangen van zijn oom. Aan deze beslissing ligt een negatieve uitkomst van de screening door het GRIP ten grondslag, waaruit naar voren komt dat de oom in het verleden hand- en spandiensten voor de criminele organisatie van klager heeft verricht. Op grond hiervan is een bezoek of contact tussen beiden onwenselijk. De directeur is van mening dat de informatie van het GRIP actueel is en van kort voor de bestreden beslissing dateert. Voor de beoordeling van de actualiteit is niet vereist dat de oom tot kort voor de beslissing actief zou zijn geweest voor het criminele samenwerkingsverband van klager. Het gaat om hand- en spandiensten in het verleden, de directeur mag daarop afgaan. De GRIP-informatie is voorts voldoende concreet. Dat het GRIP niet expliciteert om welke hand- en spandiensten het gaat en wanneer deze zijn verricht, maakt dit niet anders. Voorts doet aan de concreetheid van de informatie niet af dat de oom niet voorkomt in het strafprocesdossier van klager. De toezichtsmaatregelen kunnen niet voorkomen dat informatie toch wordt overgebracht.

 

3. De beoordeling

Op grond van artikel 38, derde lid, in verbinding met artikel 36, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet kan de directeur de toelating tot de gedetineerde van een bepaald persoon weigeren, indien dit noodzakelijk is met het oog op: de handhaving van de orde of veiligheid in de inrichting, de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid, de voorkoming of opsporing van strafbare feiten, of de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven. In de huisregels van de inrichting is bepaald, dat de weigering geldt voor een periode van ten hoogste drie maanden.

Gelet op de negatieve screening van 16 september 2020 van de oom van klager door het GRIP, is de beroepscommissie van oordeel dat de directeur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bezoek dient te worden geweigerd. De informatie is voldoende concreet en vormt mede in relatie tot de overige overgelegde GRIP-rapportages voldoende grond voor de conclusie dat de weigering van het bezoek noodzakelijk is. De omstandigheid dat de uitslag van de screening later op 24 maart 2021 positief is uitgevallen, betekent niet dat de eerdere weigering met terugwerkende kracht als onterecht moet worden beschouwd. De maximale duur van de weigering van drie maanden brengt mee dat na verloop van deze termijn een nieuwe afweging plaatsvindt. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

 

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

 

 

Deze uitspraak is op 10 augustus 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. S. Bijl en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door

mr. R. Kokee, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven