Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/6131/GA, 5 augustus 2021, beroep
Uitspraakdatum:05-08-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          R-20/6131/GA

    

           

Betreft [Klager]

Datum 5 augustus 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen de weigering van de directeur om de in beslag genomen telefoon aan klager terug te geven, teneinde deze uit te voeren, of om de telefoon voor hem te verzenden.

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Sittard heeft op 6 februari 2020 het beklag ongegrond verklaard (G-2020-55). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klagers raadsvrouw, mr. J. Verstegen, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsvrouw en de directeur van de PI Sittard (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager heeft zich beklaagd over de weigering van de directeur om te beslissen op zijn verzoek om de telefoon aan hem terug te geven, zodat hij deze kan uitvoeren. Klager begrijpt dat er eerst onderzoek aan de telefoon zal plaatsvinden, maar begrijpt niet dat de telefoon – als dat onderzoek gereed is – niet aan hem kan worden teruggeven. Op deze klacht is door de beklagrechter niet beslist. Verzocht wordt dat alsnog te doen. Ondanks dat op 1 november 2019 de Wet strafbaarstelling binnenbrengen contrabanden in werking is getreden, is het enkele bezit van een mobiele telefoon nog steeds niet strafbaar. Slechts strafbaar geworden is het ongeoorloofd binnenbrengen daarvan.

 

Standpunt van de directeur

De directeur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het beroep te reageren.

 

3. De beoordeling

De beroepscommissie stelt vast dat uit het klaagschrift volgt dat dit is gericht tegen de weigering van de directeur op 17 januari 2020 om de op 20 december 2019 bij klager in beslag genomen telefoon aan hem terug te geven. Klager wenst de telefoon uit te voeren dan wel dat de telefoon voor hem wordt verzonden. Eerst in beroep voert de raadsvrouw echter aan dat het beklag ziet op het niet beslissen op klagers verzoek tot het teruggeven van de telefoon (al dan niet zodra het onderzoek is afgerond). De bewoordingen van het klaag- en het beroepschrift stroken derhalve niet met elkaar.

De beroepscommissie zal het beklag beoordelen als te zijn gericht tegen het (nog) niet teruggeven van de telefoon aan klager, om deze vervolgens uit te laten voeren, dan wel om deze voor hem te verzenden. Zij overweegt daarover als volgt.

De beroepscommissie stelt vast dat bij klager een telefoon in beslag is genomen en – zo maakt zij uit de stukken op – dat de telefoon in de inrichting in bewaring wordt gehouden, zodat deze desgevraagd als bewijs kan dienen bij een aangifte bij de politie.

In artikel 45, vijfde lid, van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) is het volgende bepaald: “De directeur is bevoegd voorwerpen ten aanzien waarvan geen toestemming is verleend dan wel die zijn verboden, ingevolge het eerste onderscheidenlijk het tweede lid, in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de gedetineerde op diens kosten worden bewaard, hetzij voor diens rekening worden gezonden aan de verzender of een door de gedetineerde op te geven adres, hetzij met toestemming van de gedetineerde worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.”

Indien een telefoon onder een gedetineerde in beslag is genomen, kan deze gedetineerde daarmee in elk geval worden aangemerkt als bezitter. Het in het geheel niet teruggeven van een telefoon behoort op grond van artikel 45 van de Pbw in ieder geval niet tot de wettelijk genoemde opties na inbeslagname en is dan ook in strijd met de wet (vergelijk RSJ 18 februari 2021, R-19/4335/GA).

Naar het oordeel van de beroepscommissie is op basis van de stukken evenwel niet vast komen te staan dat de directeur te kennen heeft gegeven dat klagers telefoon in zijn geheel niet aan hem wordt teruggegeven. De weigering van de directeur op 17 januari 2020 om de telefoon aan klager terug te geven, om deze vervolgens uit te laten voeren, dan wel om deze voor hem te laten verzenden, acht de beroepscommissie niet onredelijk of onbillijk. Het ligt immers voor de hand dat een gedetineerde niet over een bij hem in beslag genomen verboden voorwerp gedurende de detentie kan en mag beschikken. Daarnaast geldt voor het (nog) niet (laten) verzenden/uitvoeren van de telefoon dat op 17 januari 2020 kennelijk nog nader onderzoek naar de telefoon werd gedaan, althans dat die mogelijkheid nog openstond. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter, met aanvulling van de gronden.

 

 

Deze uitspraak is op 5 augustus 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. A. van Holten, voorzitter, U.P. Burke en mr. A. Jongsma, leden, bijgestaan door mr. S.F.J.H. Niederer, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven