Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7801/GA, 20 mei 2021, beroep
Uitspraakdatum:20-05-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/7801/GA

    

           

Betreft [klager]

Datum 20 mei 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van de directeur van de locatie Zuyder Bos te Heerhugowaard (hierna: de directeur)

 

1. De procedure

[klager] (hierna: klager) heeft beklag ingesteld – voor zover in beroep aan de orde – tegen de omstandigheid dat de directie tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens klager door op 2 april 2020 een gedetineerde vanuit Detentiecentrum (DC) Schiphol op zijn afdeling te plaatsen.

De beklagcommissie bij de locatie Zuyder Bos heeft – voor zover in beroep aan de orde – op 6 augustus 2020 het beklag ten aanzien van het schenden van de zorgplicht gegrond verklaard. Vanwege de bijzondere situatie acht de beklagcommissie een tegemoetkoming niet op zijn plaats (ZB-2020-218). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

De directeur heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de locatie Zuyder Bos, bijgestaan door mevrouw mr. C.M. Bitter en de heer mr. M. Beekes, landsadvocaten, alsmede klagers raadsvrouw mr. F.T.C. Dölle en […], plaatsvervangend hoofd Juridische Zaken van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Justitie en Veiligheid, gehoord op de digitale zitting van 10 december 2020.

Een advocaat-stagiaire van het kantoor van Pels Rijcken was aanwezig als toehoorder, evenals een student-stagiaire van het kantoor van mr. F.T.C. Dölle.

Klager kon wegens omstandigheden niet bij de digitale zitting aanwezig zijn.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van de directeur

Het beroep richt zich in het bijzonder tegen hetgeen door beklagcommissie onder 3.4 is overwogen. De beklagcommissie heeft ten onrechte geoordeeld dat van de directeur in deze bijzondere situatie meer had mogen en ook had kunnen worden verwacht en daarbij ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de negen zaken waarin zij op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan. Het is onduidelijk welke omstandigheden zij in haar oordeel heeft betrokken. De overplaatsing van de gedetineerde is als zodanig een gegeven. De directeur kon deze overplaatsing niet weigeren. De directeur heeft met het oog op minimaliseren van de besmettingen, een in lijn met het landelijke beleid, beleid gevoerd waarbij de nodige maatregelen zijn getroffen.

De directeur stelt voldoende maatregelen te hebben getroffen. Het betrof geen nieuwe inkomst van een gedetineerde, maar een gedetineerde die zich al in detentie bevond. De directeur heeft in totaal negen maatregelen genomen met het oog op het minimaliseren van besmettingen. Ten onrechte heeft de beklagcommissie als maatstaf genomen dat de directeur met zekerheid had moeten uitsluiten dat de gedetineerde uit DC Schiphol besmet was voordat de gedetineerde op de afdeling zou mogen worden geplaatst. Daarmee gaat de beklagcommissie uit van een te zware zorgplicht. Het is ook niet duidelijk welke maatregelen de directeur nog meer had moeten nemen volgens beklagcommissie. De directeur stelt zich op standpunt dat hij het gezondheidsrisico niet kleiner had kunnen, althans hoeven, maken door de overgeplaatste gedetineerde eerst veertien dagen te isoleren op eigen cel, alvorens hem op de afdeling te plaatsen en aan het dagprogramma te laten meedoen.

Er zijn in de periode van april tot 27 mei 2020 drie gedetineerden van andere inrichtingen op klagers afdeling geplaatst. De beklagcommissie heeft geconcludeerd dat de directeur zijn zorgplicht heeft geschonden door onvoldoende maatregelen te treffen ter bescherming van het risico op besmetting met het coronavirus.

Op grond van artikel 60 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) staat beklag open tegen een jegens klager door de directeur genomen beslissing. Het is de vraag of hier thans een beslissing van de directeur voorligt. Er is sprake van een algemeen beleid ten aanzien van de overplaatsingen van gedetineerden in de huidige coronacrisis. Dit betreft een landelijk beleid dat door de Minister voor Rechtsbescherming is opgesteld. Dit beleid overstijgt de individuele beslissing. Het is dan ook niet aan de directeur om andere maatregelen te treffen dan die het RIVM noodzakelijk heeft gevonden. Het gaat daarbij om de mate van zorgplicht die door de directeur in acht genomen had moeten worden. Alleen in het geval er sprake is van het in het geheel niet nakomen van de zorgplicht is een klacht ontvankelijk.

Bij elke overplaatsing heeft de directeur, met inachtneming van de door het RIVM gegeven richtlijnen, maatregelen getroffen om het risico op besmetting te beperken. Het risico op besmetting is, zowel voorafgaand, tijdens als na de overplaatsing, geminimaliseerd. De gedetineerde die is overgeplaatst is gemonitord en bevraagd. Bij geen van de drie overgeplaatste gedetineerden bestond er enige indicatie of grond voor het vermoeden dat de betreffende gedetineerde was blootgesteld aan het coronavirus en dat er een risico bestond dat de gedetineerde was besmet.

Onduidelijk is waar de beklagcommissie op doelt met de overweging dat van de directeur meer had mogen worden verwacht. Er was geen enkele aanleiding om de betreffende gedetineerde aan een coronatest te onderwerpen. Het beleid van de GGD was op dat moment dat personen niet werden getest indien er geen sprake is van corona gerelateerde symptomen. Sinds 1 december 2020 is het pas mogelijk om ook getest te worden indien er geen sprake is van symptomen. Daarbij geldt wel dat er een aanleiding moet zijn om te worden getest zonder symptomen. Dat is het geval indien sprake is geweest van nauw contact met een positief getest persoon.

Een andere mogelijkheid zou zijn dat de beklagcommissie heeft gedoeld op de mogelijkheid om de overgeplaatste gedetineerde voor de duur van veertien dagen in quarantaine te plaatsen. Hiervoor was echter geen enkele aanleiding. Het is duidelijk met wie de gedetineerde in de periode voorafgaand aan de overplaatsing in contact is geweest en hieruit is gebleken dat de gedetineerde geen contact heeft gehad met personen die besmet waren met het coronavirus. Dit ligt anders voor personen die zich buiten de inrichting bevonden en vervolgens in detentie terecht komen. Gelet op de genomen maatregelen kan worden gesteld dat de directeur voldoende maatregelen heeft getroffen om het risico op besmetting met het coronavirus zoveel mogelijk te beperken.

De directeur heeft daarbij gelet op klagers medische situatie. Klager heeft veel stress ervaren van de overplaatsingen en aan hem is dan ook de mogelijkheid geboden om te worden overgeplaatst naar een kleinere afdeling waar minder wisselingen in de gedetineerdenpopulatie plaatsvinden. Hiervan heeft klager geen gebruik gemaakt. Aan klager is kenbaar gemaakt dat ook zijn medegedetineerde mantelzorger met hem mee had kunnen verhuizen naar een andere afdeling. Ook is klager telkens van tevoren ingelicht indien nieuwe gedetineerden op de afdeling zouden worden geplaatst.

Klager is gehecht aan zijn cel in de PI. Hij heeft uitzicht op de tuin en dat doet hem erg goed. Klager en zijn mantelzorger vinden veel steun bij elkaar. Klager heeft aangegeven dat hij veel waarde hecht aan de plek waar hij momenteel verblijft. Zuyder Bos heeft geen inkomstenafdeling en er is – gezien de capaciteit – ook geen ruimte om een inkomstenafdeling in te richten. Nieuwe gedetineerden worden eerst in een andere PI op een inkomstenafdeling geplaatst voordat zij worden overgeplaatst naar Zuyder Bos. Hoewel in de onderhavige procedure het beklag zich richt tegen de nieuwe gedetineerden die in een PI worden geplaatst, is het aantal bewegingen van personen die zich in en uit de inrichting begeven met name gerelateerd aan personeel. Het risico dat een medegedetineerde het virus mee naar binnen neemt is veel kleiner dan de kans dat een personeelslid het meeneemt.

Primair dient te worden geconcludeerd dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag, subsidiair dient het beklag alsnog ongegrond te worden verklaard.

 

Standpunt van klager

Klager kan heden niet bij de zitting aanwezig zijn, nu hij momenteel in zelfisolatie zit. Klagers mantelzorger zit in quarantaine. Hij wil graag dat de zaak wordt afgedaan. Klager zit momenteel gedetineerd en hij heeft een kwetsbare gezondheid. Klager heeft COPD en krijgt daarom zuurstof toegediend. Een besmetting met het coronavirus is gevaarlijk voor klager en hij is afhankelijk van de door de directeur getroffen maatregelen. Klager dient ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag.

Door de inrichting is gesteld dat zij alles heeft gedaan dat mogelijk is en dat er geen aanleiding was om extra maatregelen te treffen. Gelet op de bijzondere omstandigheden van klager was er wel aanleiding om extra maatregelen te nemen. De overgeplaatste gedetineerden hadden getest kunnen worden en/of zij hadden in quarantaine geplaatst kunnen worden. De inrichting kan ook bij het treffen van extra maatregelen geen volledige garantie geven dat er geen kans op besmetting aanwezig is.

Het RIVM heeft bepaalde adviezen opgesteld. Door het RIVM is geadviseerd dat kwetsbare personen oncontroleerbare situaties dienen te vermijden. Klager wordt echter geconfronteerd met de onmogelijkheid om zelf extra maatregelen te treffen. De beklagcommissie heeft terecht geoordeeld dat de door de directeur genomen maatregelen onvoldoende zijn.

Hoewel de overgeplaatste gedetineerden geen nieuwe ‘inkomsten’ zijn en al in detentie zaten, is onduidelijk of zij niet een risico op besmetting met zich meedragen. De overgeplaatste gedetineerden zijn met DV&O vervoerd en de kans is aanwezig dat zij tijdens de overplaatsing besmet zijn geraakt. Er wordt bij overgeplaatste gedetineerden enkel een gesprek gevoerd bij binnenkomst in de inrichting. Tijdens dit gesprek wordt er gevraagd naar eventuele klachten. Wanneer men aangeeft klachten te hebben, is de consequentie een verblijf van veertien dagen in quarantaine, waardoor er een prikkel is om niet naar waarheid te verklaren.

Daarnaast kunnen mensen besmet zijn met het coronavirus zonder zelf klachten te hebben. Zij kunnen dan wel klager besmetten. Hoewel het vervelend is voor de overgeplaatste gedetineerde dat zij veertien dagen in quarantaine dienen te blijven, weegt dit niet op tegen het leed dat klager zou overkomen indien hij corona zou krijgen.

Het klopt dat aan klager het aanbod is gedaan om naar een andere afdeling te verhuizen. Klager is echter afhankelijk van een mantelzorger. Dit is een medegedetineerde. Indien klager naar een andere afdeling verhuist, verliest hij de hulp van zijn mantelzorger. Dit is de reden geweest dat klager hiermee niet akkoord is gegaan. Het was klager en zijn raadsvrouw niet bekend dat de mogelijkheid bestond dat klagers mantelzorger ook mee had kunnen verhuizen. Daarbij is voorstelbaar dat dit ook veel gevraagd zou zijn van de mantelzorger.

 

3. De beoordeling

De beroepscommissie stelt voorop dat zij begrijpt dat het voor klager, verblijvende in detentie, met een medische aandoening en afhankelijk van de maatregelen die een inrichting treft ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus, een vervelende situatie is.

 

Klagers klacht

Het beklag van klager ziet op de omstandigheid dat de directie tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens klager door op 2 april 2020 een gedetineerde vanuit DC Schiphol op zijn afdeling te plaatsen.

 

Ontvankelijkheid

Namens de directeur is betoogd dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag, nu – kort samengevat – er sprake is van een algemeen beleid ten aanzien van de overplaatsingen van gedetineerden in de huidige coronacrisis. Dit beleid overstijgt de individuele beslissing en het is niet aan de directeur om andere maatregelen te treffen dan die het RIVM noodzakelijk heeft gevonden.

 

De beroepscommissie overweegt hieromtrent als volgt.

Ter bescherming van justitiabelen en het inrichtingspersoneel zijn met ingang van 14 maart 2020 door DJI landelijke maatregelen getroffen om het risico op verspreiding van het coronavirus in de inrichtingen te verkleinen. Uiteindelijk beslist de directeur op welke afdeling en onder welke voorwaarden hij een gedetineerde op een afdeling plaatst. De klacht van klager ziet op de omstandigheid dat ten aanzien van de plaatsing van een medegedetineerde op zijn afdeling onvoldoende maatregelen in acht zijn genomen ter voorkoming van besmetting met het coronavirus. Klager stelt aldus dat de directeur niet voldoet aan zijn zorgplicht jegens klager om hem voldoende te beschermen tegen besmetting met het coronavirus. Klager kan dan ook in zijn beklag worden ontvangen.

 

Inhoudelijk

Klager stelt dat de directeur van de inrichting onvoldoende inspanningen heeft geleverd om klager te beschermen tegen het coronavirus toen op 2 april 2020 een gedetineerde vanuit DC Schiphol op zijn afdeling werd geplaatst. De directeur stelt zich op het standpunt dat er voldoende maatregelen zijn genomen om besmetting door nieuwe gedetineerden te voorkomen.

De vraag die ter beantwoording aan de beroepscommissie voorligt is of de directeur van de inrichting voldoende maatregelen heeft getroffen om klager te beschermen tegen een eventuele besmetting. De beroepscommissie beantwoordt deze vraag, anders dan de beklagcommissie, bevestigend. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Uit de stukken volgt dat de gedetineerde die op 2 april 2020 vanuit DC Schiphol is overgeplaatst zich al langer dan veertien dagen in detentie bevond. Er bestond dan ook geen risico dat die gedetineerde het virus al buiten DC Schiphol had opgelopen, maar nog geen klachten had ontwikkeld. Binnen DC Schiphol is op 30 maart 2020 een besmetting van een inrichtingsarts vastgesteld. Deze arts had klachten ontwikkeld na werktijd en is daarna niet meer in DC Schiphol geweest. De overgeplaatste gedetineerde was niet in contact geweest met de inrichtingsarts die besmet is geraakt en de gedetineerden die wel contact met de arts hadden, zaten niet op dezelfde afdeling als de overgeplaatste gedetineerde.

Mede vanwege de constatering van de besmetting van de inrichtingsarts is er met betrekking tot deze overplaatsing veelvuldig contact geweest tussen de locatie Zuyder Bos, DC Schiphol en het hoofdkantoor van DJI. Daarbij zijn afspraken gemaakt en op grond daarvan is de overgeplaatste gedetineerde in DC Schiphol extra gemonitord en heeft er, voordat hij werd vervoerd, een extra controle plaatsgevonden op symptomen van het coronavirus.

Het vervoer heeft vervolgens plaatsgevonden op individuele basis, zodat de betreffende gedetineerde niet in contact is gekomen met andere gedetineerden, in een voertuig dat iedere dag wordt geventileerd en gereinigd. Indien sprake is van vervoer van een besmette gedetineerde wordt een gespecialiseerd reinigingsbedrijf ingeschakeld voor de reiniging. De bij het vervoer betrokken medewerkers houden anderhalve meter afstand of dragen – indien dat niet mogelijk is en het niet om vluchtig contact gaat – persoonlijke beschermingsmiddelen. Vervolgens heeft bij binnenkomst in Zuyder Bos een medische intake plaatsgevonden waarbij is onderzocht of de gedetineerde ziekteverschijnselen vertoonde die zouden kunnen passen bij een besmetting met het coronavirus. Dat was niet het geval en de overgeplaatste gedetineerde is vervolgens op de afdeling van klager geplaatst, waar hij meteen mocht meedraaien in het dagprogramma. De gedetineerde is daarna ook op de afdeling gemonitord, zodat snel zou kunnen worden ingegrepen in het geval hij alsnog ziekteverschijnselen zou ontwikkelen.

De beroepscommissie is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, de directeur voldoende maatregelen heeft getroffen om het risico op verspreiding van het coronavirus te verkleinen. De directeur heeft naar het oordeel van de beroepscommissie niet over te hoeven gaan tot het plaatsen van de overgeplaatste gedetineerde in quarantaine voor de duur van veertien dagen alvorens hij had mogen deelnemen aan het dagprogramma. Bij een overgeplaatste gedetineerde kan, anders dan bij nieuwe inkomsten in een inrichting, worden nagegaan met wie hij in contact is geweest en of de algemene richtlijnen van het RIVM zijn nageleefd. Het RIVM hanteert in deze gevallen geen veertiendaagse quarantaineperiode (anders dan in het geval de overgeplaatste gedetineerde nauw contact zou hebben gehad met een besmet persoon dan wel afkomstig zou zijn uit een gebied dat als oranje is bestempeld). Van de directeur hoefde dan ook niet verwacht mogen worden dat hij de overgeplaatste gedetineerde eerst in quarantaine zou plaatsen. Op dat moment bestond evenmin aanleiding om een coronatest uit te voeren, nu de gedetineerde geen klachten had die zouden kunnen passen bij een besmetting met het coronavirus, gezien het feit dat in april 2020 het beleid was dat personen die geen symptomen hadden niet werden getest.

Door de beklagcommissie is geoordeeld dat, hoewel de directeur afspraken heeft gemaakt met de zendende inrichting over het controleren van gedetineerden, niet duidelijk is geworden of de directeur ook controle uitoefent op de naleving van die afspraken. Volgens de beklagcommissie had de directeur, gezien de ernst van de situatie, niet hierop zonder meer mogen vertrouwen.

De beroepscommissie is echter van oordeel dat beide inrichtingen vallen onder de DJI en dat door  DJI met ingang van 14 maart 2020 landelijke maatregelen zijn getroffen ter bescherming van justitiabelen en het inrichtingspersoneel om het risico op verspreiding van het coronavirus in de inrichtingen te verkleinen. De locatie Zuyder Bos mocht, ondanks de bijzondere situatie, erop vertrouwen dat ook in DC Schiphol de getroffen maatregelen – mede vanwege hun eigen belang om het risico op verspreiding te verkleinen – in acht werden genomen en dat DC Schiphol de gemaakte afspraken was nagekomen.

Gelet op het voorgaande is de beroepscommissie van oordeel dat de directeur voldoende maatregelen heeft genomen om de gezondheidsrisico’s voor klager te beperken en dat de directeur dan ook heeft voldaan aan zijn zorgplicht jegens klager. De beroepscommissie zal het beroep dan ook gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagcommissie vernietigen en het beklag alsnog ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover in beroep aan de orde en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

 

Deze uitspraak is op 20 mei 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. C. Fetter, voorzitter, U.P. Burke en drs. M.R. van Veen, leden, bijgestaan door

mr. L.E.M. Meekenkamp, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven