Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/6758/TA,18 mei 2021, beroep
Uitspraakdatum:18-05-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          R-20/6758/TA

              

Betreft [klager]

Datum 18 mei 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van het hoofd van FPC De Rooyse Wissel te Venray (hierna: de instelling)

 

1. De procedure

Het beklag, ingesteld door [klager] (hierna: klager), betreft de schending van klagers recht om te luchten op 4 augustus 2019.

De beklagcommissie bij de instelling heeft op 21 april 2020 het beklag gegrond verklaard en daarbij aan klager een tegemoetkoming toegekend van €10,- (RV 2019-213). De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Het hoofd van de instelling heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

De beroepscommissie heeft het hoofd van de instelling, klager en zijn raadsman mr. E.M. van Schaik in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van het hoofd van de instelling

De instelling kan zich niet vinden in het oordeel van de beklagcommissie dat de instelling aan klager de vraag had moeten stellen of hij die dag al had gelucht. Klager is op 4 augustus 2019, vanaf het moment van uitsluiten, om 11.00 uur, tot het moment van insluiten, om 16.00 uur, in de gelegenheid geweest om te luchten. Klager is voldoende in de gelegenheid gesteld een uur te luchten, nu de deur naar de patio openstond en er tevens geen enkele aanwijzing is dat klager is belemmerd om hiervan gebruik te maken.

Klager heeft noch bij het aanzeggen van het insluiten, noch op een later moment die dag

gemeld dat hij - ondanks de uitsluiting van ruim vijf uren die dag - geen vol uur heeft gelucht. Dit blijkt uit navraag bij sociotherapie, alsook uit de rapportages. Bijzonderheden omtrent luchten worden in de regel altijd vermeld door sociotherapie in de dagrapportage. Op het moment van insluiting was er sprake van een onveilige situatie nu klager zich met een medepatiënt in zijn kamer had verschanst en door de deur alleen riep dat hij niet zou meewerken om tot een oplossing van de situatie te komen. Om 20.30 uur is klager overgebracht naar een extra beveiligde separeerruimte. Mede gelet op de uitspraak van de RSJ van 19 maart 2020 (R-19/4872/TA) kan klager de instelling niet verwijten onvoldoende invulling te hebben gegeven aan de zorgplicht ten aanzien van klagers recht om te luchten.

Standpunt van klager

Klager persisteert bij hetgeen eerder is aangevoerd in de procedure bij de beklagcommissie. Gelet op de uitspraak van de RSJ van 26 september 2019 (R-19/3394/TA) heeft de instelling een inspanningsverplichting om bij een onverwachtse insluiting kennis te nemen of de verpleegde die dag al een uur gelucht heeft of niet. Nu klager meent aan de sociotherapeuten gevraagd te hebben op het moment van insluiting om nog te kunnen luchten, heeft de instelling onvoldoende invulling gegeven aan de zorgplicht ten aanzien van klagers recht om te luchten. Gelet hierop wordt verzocht het beroep van de directeur ongegrond te verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie te bevestigen.

3. De beoordeling

Op grond van artikel 43, derde lid, Bvt heeft een verpleegde recht op verblijf in de buitenlucht gedurende ten minste één uur per dag. In beginsel zijn op dit recht geen beperkingen toegelaten. Het recht op luchten is zo fundamenteel dat de instelling daarom extra inspanningen dient te verrichten om een verpleegde niet te beperken in dit recht.

Niet gebleken is dat klager op 4 augustus 2019 een vol uur heeft gelucht. Op die dag is klager om 16.00 uur ingesloten vanwege een onveilige situatie die hij veroorzaakte op de afdeling. Hij kon daarom vanaf die tijd geen gebruik meer maken van zijn recht om te luchten. Klager is echter op 4 augustus 2019 vanaf het moment van uitsluiten, om 11.00 uur, tot het moment van insluiten, om 16.00 uur, in beginsel in de gelegenheid geweest om te luchten. Klagers stelling dat hij op 4 augustus 2019 aan de sociotherapeuten op het moment van insluiting heeft gevraagd om nog te kunnen luchten is niet aannemelijk geworden. Uit navraag bij sociotherapie noch uit de dagrapportage blijkt van een dergelijk verzoek. Dat een dergelijk verzoek toen is gedaan, ligt ook niet voor de hand gelet op de in de stukken geschetste, door klagers gedrag zelf veroorzaakte onveilige situatie rond het moment van insluiting en de uren daarna. Maar zelfs indien een dergelijk luchtverzoek alsnog zou zijn gedaan na insluiting, dan zou het getoonde gedrag van klager in dit geval voldoende aanleiding zijn geweest om het recht op luchten te beperken. Gelet op alle genoemde omstandigheden kan klager in dit geval niet met recht het hoofd van de instelling verwijten onvoldoende invulling te hebben gegeven aan de op hem rustende zorgplicht ten aanzien van klagers recht om te luchten.

Gelet op het voorgaande zal het beroep van het hoofd van de instelling gegrond worden verklaard.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 18 mei 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. A. van Holten, voorzitter, mr. drs. L.C. Mulder en mr. T.B. Trotman, leden, bijgestaan door mr. C.K. van Dijk, secretaris.

 

secretaris        voorzitter

Naar boven