Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-20/7444/GA, 29 juni 2021, beroep
Uitspraakdatum:29-06-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-20/7444/GA           

Betreft [Klaagster]

Datum 29 juni 2021

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klaagster] (hierna: klaagster)

1. De procedure

Klaagster heeft beklag ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek om bezoek zonder toezicht (BZT).

De beklagrechter bij de Penitentiaire Inrichtingen (PI) Zwolle heeft op 23 juni 2020 het beklag ongegrond verklaard (Z1 2020-462). De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd.

Klaagsters raadsman, mr. M. de Reus, heeft namens klaagster beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klaagster, haar raadsman en de directeur van de PI Zwolle (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klaagster

Klaagster is gedetineerd in de PI Zwolle. De echtgenoot van klaagster is tevens gedetineerd in de PI Zwolle. Klaagster heeft reeds meerdere malen gedurende haar detentie gebruik gemaakt van de mogelijkheid van onderling gedetineerdenbezoek c.q. BZT met haar echtgenoot. Als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zijn beperkingen opgelegd in het kunnen ontvangen van bezoek. Uit de ontvangen memo  volgt dat alle bezoekregelingen, waaronder onderling gedetineerdenbezoek/BZT, zijn opgeschort hangende voornoemde maatregelen. Klaagster gaat ervan uit dat de bezoekmogelijkheden voor van buiten de PI afkomstige personen zijn opgeschort om mogelijke besmettingsrisico’s tegen te gaan. Bij BZT of onderling gedetineerdenbezoek tussen gedetineerden onderling bestaat dit risico naar de mening van klaagster niet. Volgens klaagster zou onderling gedetineerdenbezoek, zeker wanneer de gedetineerden feitelijk in hetzelfde gebouw verblijven, moeten worden toegestaan in verband met de afwezigheid van wezenlijke gezondheidsrisico’s.

 

In reactie op het standpunt van de directeur voert klaagster aan dat niet duidelijk is geworden wat nu de reactie van de directeur direct op de klacht is. Er wordt niet ingegaan op het feit dat klaagster en haar partner in dezelfde inrichting verblijven. Voorts is klaagster slechts eenmalig een half uur in de gelegenheid gesteld om te skypen met haar partner. Daarbij is skypen niet privé, nu er altijd een medewerker van de inrichting meekijkt en meeluistert. Indien de inrichting zich wil verschuilen achter de coronacrisis, dan dient te worden opgemerkt dat het niet valt uit te leggen dat BZT wordt geweigerd, terwijl ondertussen wel onder andere door gedetineerden samen wordt gewerkt in de tuin en cursussen worden gegeven aan gedetineerden van verschillende afdelingen tezamen. Klaagster wenst gecompenseerd te worden voor het feit dat zij en haar partner elkaar maar één keer in veertien maanden hebben gezien middels BZT. Tot slot is het opvallend dat beklagrechter in haar eentje de behandeling en de uitspraak doet. Dat op zichzelf doet geen onpartijdigheid vermoeden.

Standpunt van de directeur

In casu is er sprake van een vorm van onderling gedetineerdenbezoek. Het is mogelijk dat gedetineerden die in verschillende inrichtingen verblijven elkaar willen bezoeken. De voorwaarden die van toepassing zijn op dergelijke bezoeken zijn neergelegd in artikel 27 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting. Hieruit volgt dat gedetineerden onderling elkaar één keer in de drie maanden een bezoek, en daarmee BZT als een vorm van bezoek, kunnen brengen. Nu op 1 april 2020 bij brief van de Minister voor Rechtsbescherming zowel het bezoek als alle verlofmogelijkheden in alle Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)-inrichtingen werden opgeschort, heeft de directeur in zijn afweging besloten hier geen uitzondering op te maken. De directeur heeft klaagster wel individueel in staat gesteld om te skypen met haar tevens gedetineerde partner.

3. De beoordeling

Voor zover door klaagster is geklaagd over de procedure bij de beklagrechter gaat de beroepscommissie hieraan voorbij, nu het beklag in beroep opnieuw ten gronde wordt beoordeeld.

Ten tijde van het ingediende klaagschrift – te weten op 30 april 2020 met een aanvulling op 5 mei 2020 – waren de maatregelen van 13 maart 2020 van kracht die door de Minister voor Rechtsbescherming zijn genomen ter voorkoming van de (verdere) verspreiding van het coronavirus (Kamerstukken II, 2019/20, 24587 en 25295, nr. 763). De toen genomen maatregelen golden als landelijk beleid van de DJI ten aanzien van alle justitiële inrichtingen, waaronder de PI Zwolle.

Uit voornoemde maatregelen volgde dat vanaf 14 maart 2020 het bezoek in de justitiële inrichtingen werd opgeschort. Klaagster heeft verzocht om onderling gedetineerdenbezoek in de vorm van BZT, met haar partner die in dezelfde inrichting verblijft. De directeur heeft besloten voor klaagster geen uitzondering op het beleid te maken. Om klaagster tegemoet te komen, heeft de directeur haar een alternatief aangeboden in de vorm van een individueel Skype-moment. De beroepscommissie merkt op dat voorstelbaar is dat met de maatregelen ten aanzien van het bezoek naast het beperken van mensen die van buiten de inrichting tijdens het bezoek binnen de inrichting komen, beoogd is vervoersbewegingen in zijn totaliteit zoveel mogelijk te beperken. Dat geldt in dat geval dan dus zowel ten aanzien van bezoek dat van buiten de inrichting komt als ten aanzien van bezoek dat vanuit een ander deel van de inrichting komt (zoals in het geval van klaagster). Contactmomenten - zeker in het geval van BZT - kunnen namelijk uiteraard potentiële overdrachtsmomenten van het coronavirus zijn.  

Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen is de beroepscommissie van oordeel dat de beslissing van de directeur om klaagsters verzoek af te wijzen niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt.

Hetgeen in beroep is aangevoerd kan daarom naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter, met aanvulling van de gronden.

Deze uitspraak is op 29 juni 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. T.B. Trotman, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. J.B. Oreel, leden, bijgestaan door mr. S.F.J.H. Niederer, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven