Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/4493/GA, 17 maart 2021, beroep
Uitspraakdatum:17-03-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          R-19/4493/GA

 

Betreft [Klager]

Datum 17 maart 2021

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [Klager] (hierna: klager)

 

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen:

a.         de (vervroegde) insluiting op 11 april 2019 wegens een spitactie en visitaties op bepaalde afdelingen, waardoor klager geen avondrecreatie heeft gehad en geen gelegenheid heeft gekregen om te koken;

b.         het niet verstrekt krijgen van een paracetamol en het niet tijdig uitreiken van medicatie in de avond van 11 april 2019;

c.         het langdurig in een vervoersbusje moeten zitten en het langdurig bij de rechtbank moeten wachten op 11 april 2019;

d.         het niet kunnen luchten op 11 april 2019;

e.         het niet verstrekt krijgen van lunch op 11 april 2019;

f.          het niet verstrekt krijgen van medicatie tijdens het vervoer op 11 april 2019;

g.         intimidatie door de bewakers van de speciale eenheid jegens klager op 11 april 2019.

De beklagcommissie bij het Detentiecentrum (DC) Rotterdam heeft op 15 augustus 2019 de klachten ongegrond verklaard (DC-2019-278, DC-2019-279, DC-2019-280 en DC-2019-281). De beklagcommissie heeft niet geoordeeld over beklagonderdeel e. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers gemachtigde, […] (Meldpunt Vreemdelingendetentie), heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn gemachtigde en de directeur van het DC Rotterdam (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Op donderdag 11 april 2019 is klager om 06:00 uur vervoerd naar de rechtbank Den Bosch vanuit het DC Rotterdam. Hoewel deze rit niet langer dan 75 minuten zou moeten duren, heeft klager ruim drie uren in het busje gezeten in een kleine ruimte zonder gordel. Klager vond dit een hele nare situatie en voelde zich erg benauwd. Klager heeft artritis en lijdt dus vaak aan veel pijn in het gehele lichaam. Daarbij heeft klager bij de rechtbank voor en na de zitting ook lang moeten wachten in een kleine ruimte. Op de terugweg is klager wederom ruim drie uren lang op voornoemde nare en pijnlijke manier vervoerd. Rond 18:50-19:00 uur was klager weer terug in het DC Rotterdam. Klager mocht echter niet gelijk terug naar zijn cel. Na een tijdje kwamen er bijna tien bewakers in het zwart met maskers – mogelijk de speciale eenheid - die klager intimideerden en naar zijn cel brachten.

De gemachtigde heeft de mondelinge uitspraken van de beklagcommissie ontvangen zonder toelichting. Waarom klager niet heeft mogen luchten na terugkomst in het detentiecentrum, wordt niet duidelijk uit het verweer van de directeur. Uit het verweer van de directeur valt verder op te maken dat het gebruikelijk is om ingeslotenen voorafgaand aan ieder transport van een lunchpakket te voorzien. De directeur kan echter niet bewijzen of klager een lunchpakket heeft ontvangen. Er zijn geen rapporten van bewakers bijgevoegd, terwijl een dergelijke afvinking van een afgegeven lunchpakket, zeker bij transport, noodzakelijk is. Klager verzoekt een vergoeding van €70,-.

Standpunt van de directeur

De directeur persisteert bij zijn eerder ingenomen standpunt.

3. De beoordeling

Hetgeen in beroep is aangevoerd ten aanzien van het beklag onder a., b., c., d., f. en g. kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal in zoverre ongegrond worden verklaard.

Beklag e.

Nu de beklagcommissie zich niet heeft uitgelaten over dit onderdeel van de klacht, zal de beroepscommissie dit deel om proceseconomische redenen als enige en hoogste instantie afdoen.

Uit artikel 16, eerste lid, van de Regeling vervoer van justitiabelen volgt dat de directeur of het hoofd van de inrichting, indien is te voorzien dat de justitiabele tijdens het transport een maaltijd moet gebruiken, een lunchpakket en drinken meegeeft aan de transportgeleider die de justitiabele op het daartoe geëigende moment van eten en drinken voorziet.

Namens klager is gesteld dat hem op 11 april 2019 geen lunchpakket door de inrichting is verstrekt. Door de directeur is slechts in algemene termen gereageerd en gesteld dat het niet meer te achterhalen valt. Nu het door klager gestelde onvoldoende is weersproken door de directeur, zal de beroepscommissie het beklag gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer ongedaan zijn te maken, zal de beroepscommissie klager een tegemoetkoming toekennen wegens het geleden ongemak. Zij stelt deze vast op €5,-.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van het beklag onder a., b., c., d., f. en g. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagcommissie.

De beroepscommissie verklaart het beklag onder e. gegrond. Zij kent aan klager een tegemoetkoming van €5,- toe.

 

Deze uitspraak is op 17 maart 2021 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit

mr. M. Iedema, voorzitter, mr. E. Dinjens en mr. R. Raat, leden, bijgestaan door mr. S.F.J.H. Niederer, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven