Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/19707/SGA, 5 februari 2021, schorsing
Uitspraakdatum:05-02-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          21/19707/SGA

    

           

Betreft [Verzoeker]

Datum 5 februari 2021

 

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van [Verzoeker] (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

De directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Krimpen aan den IJssel (hierna: de directeur) heeft op 8 januari 2021 beslist verzoeker te degraderen naar het basisprogramma.

Verzoeker vraagt om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van het klaagschrift (beklagkenmerk IJ-2021-56).

 

2. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.

Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers gedrag op het onderdeel ‘stimuleren en ontmoedigen’ als ‘ontoelaatbaar’ is aangemerkt. Hier ligt aan ten grondslag dat twee mini telefoons zijn aangetroffen in door verzoeker gebruikte inhalers. Volgens de directeur waren de mini telefoons vernuftig verstopt. Klager heeft zichzelf volgens de directeur hiermee de mogelijkheid verschaft om ongecontroleerd, door middel van tekst en geluid, criminele activiteiten voort te zetten in de breedste zin van het woord en heeft hij de mogelijkheid gecreëerd om de belangen van anderen in het algemeen en in het bijzonder de belangen van slachtoffers ernstig te schaden. Uit de bestreden beslissing en de inlichtingen van de directeur blijkt dat verzoeker voor de duur van 26 weken is gedegradeerd naar het basisprogramma.

Uit de nota van toelichting bij de wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) in verband met een wijziging inzake het systeem van promoveren en degraderen (Stcrt. 2020, nr. 49131) komt naar voren dat uitgangspunt is dat gedetineerden zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun detentie en re-integratie. Om te kunnen promoveren naar en te kunnen verblijven in het plusprogramma dient een gedetineerde aan te tonen dat zijn motivatie en inzet om zijn re-integratiedoelen te verwezenlijken, bestendig zijn. Promoveren en degraderen zijn dus afhankelijk van de mate van verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn eigen re-integratie, wat onder meer uit zijn gedrag kan blijken.

Op grond van artikel 1d, zesde lid, van de Regeling bepaalt de directeur de periode gedurende welke de gedetineerde het in bijlage 1 dan wel bijlage 2 bij de Regeling omschreven gewenste gedrag laat zien om wederom in aanmerking voor promotie te komen. Deze periode is minimaal zes weken. Indien de directeur aanleiding ziet een langere periode in acht te nemen motiveert hij dit in zijn besluit, waarbij hij in ieder geval betrekt de aard en de ernst van de het gedrag dat aanleiding vormt voor degradatie, de mate waarin inbreuk is gemaakt op de orde en de veiligheid in de inrichting dan wel op de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming, de al dan niet opzettelijkheid van het gedrag, de duur van de eventueel opgelegde straf door de strafrechter indien hiervan sprake is en het gedrag dat de gedetineerde structureel in de detentiesituatie vertoont.

Gelet op verzoekers gedrag, zoals dat hiervoor is beschreven, kan de terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma niet op voorhand als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

Ten aanzien van de duur van de terugplaatsing in het basisprogramma overweegt de schorsingsvoorzitter dat de termijn van 26 weken zeer lang is. Door verzoeker wordt (op voorhand) een inhoudelijke beoordeling gevraagd van deze termijn die naar het oordeel van de voorzitter in de bodemprocedure aan de orde dient te komen. Naar het oordeel van de voorzitter ontbreekt ten aanzien van de termijn van terugplaatsing het spoedeisend belang. Gelet daarop zal de voorzitter het verzoek afwijzen.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek af.

 

 

Deze uitspraak is op 5 februari 2021 gegeven door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, bijgestaan door mr. Y.P. Schleijpen, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven