Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 21/19333/SGA, 15 januari 2021, schorsing
Uitspraakdatum:15-01-2021

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          21/19333/SGA

    

           

Betreft verzoeker

Datum 15 januari 2021

 

Uitspraak van de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ op het verzoek van  verzoeker (hierna: verzoeker)

 

1. De procedure

De directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel (hierna: de directeur) heeft op 4 januari 2021 beslist verzoeker te degraderen naar het basisprogramma.

Verzoekers raadsman, mr. C.T.W. van Dijk, vraagt namens verzoeker om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging daarvan.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de reactie van de directeur op het schorsingsverzoek en van de mededeling van de secretaris van de beklagcommissie dat het schorsingsverzoek zal worden ingeschreven als klaagschrift.

 

2. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat bij een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling. De zaak kan dus niet ten gronde worden onderzocht. De voorzitter beoordeelt alleen of de beslissing waartegen beklag is ingesteld in strijd is met een wettelijk voorschrift of dat deze zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.

Namens verzoeker is aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met het motiveringsbeginsel, zoals genoemd in artikel 3:46 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). De voorzitter overweegt dat genoemde bepaling, gelet op het bepaalde in artikel 1:6 van de Awb, niet van toepassing is.

Bij het nemen van een beslissing tot terugplaatsing van een gedetineerde in het basisprogramma (degradatie) dient de directeur volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie het gedrag te benoemen dat tot de degradatie leidt en een kenbare belangenafweging te maken. De directeur voert aan dat in de PI Ter Apel aan de gedetineerde ruimte wordt geboden om mee te werken aan activiteiten, waarbij de re-integratie gericht is op het buitenland in plaats van Nederland. De directeur voert verder aan dat uit informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst blijkt dat verzoeker niet beschikt over een rechtmatig verblijf in Nederland en dat hij Nederland zal moeten verlaten na zijn detentie. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers gedrag op het onderdeel ‘stimuleren en ontmoedigen’ als ‘ongewenst’ is aangemerkt. Hierbij is benoemd dat verzoeker niet de benodigde screening/diagnostiek doorloopt. Verzoeker weigert mee te werken aan een vertrek uit Nederland dan wel het maken van een toekomstgericht vertrekplan. Er is met verzoeker besproken dat dit gedrag kan leiden tot een degradatie naar het basisprogramma, maar dit heeft niet geleid tot een gedragsverandering. Een langer verblijf van verzoeker in het plusprogramma, waarin sprake is van meer vrijheden en mogelijkheden gericht op re-integratie, is daarom niet langer aangewezen, aldus de directeur. Uit de bestreden beslissing blijkt ook dat de directeur een belangenafweging heeft gemaakt, waarbij dit gedrag is afgezet tegen het positieve gedrag van verzoeker (de onderdelen waarop zijn gedrag ‘gewenst’ is) en alle relevante aspecten van verzoekers gedrag zijn meegenomen. Op grond van artikel 1d, vierde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) heeft de directeur beslist verzoeker te degraderen naar het basisprogramma.

Gelet op verzoekers gedrag, zoals dat hiervoor is beschreven, kan de beslissing van de directeur tot terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma niet op voorhand als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het feit dat verzoeker Nederland niet wenst te verlaten, onder meer omdat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht in verschillende procedures die bovendien als doel zouden hebben zijn verblijf in Nederland te continueren, maakt dit niet anders. Immers, er zijn geen aanwijzingen dat het meewerken aan bijvoorbeeld een vertrekplan er toe leidt dat verzoeker zal worden uitgezet nog voordat hij in de betreffende procedures zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen realiseren.

De voorzitter zal het verzoek daarom afwijzen.

 

3. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek af.

 

 

Deze uitspraak is op 15 januari 2021 gegeven door mr. J.D. den Hartog, voorzitter, bijgestaan door J.A. van der Veen, secretaris.

 

 

secretaris        voorzitter

Naar boven