Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-20/3091/SGA, 27 februari 2020, schorsing
Uitspraakdatum:27-02-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.


Nummer : S-20/3091/SGA

Betreft : [verzoeker] datum: 27 februari 2020

 

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. V. Poelmeijer, namens [...], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 25 februari 2020, inhoudende de terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma (degradatiebeslissing).

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 25 februari 2020 (IJ 2020-154) alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 26 februari 2020.

 

1. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of
onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Verzoeker stelt niet betrokken te zijn geweest bij het geweldsincident dat de basis is geweest voor verzoekers terugplaatsing naar het basisprogramma. Verzoeker stelt verder dat een enkel incident onvoldoende is om terugplaatsing naar het basisprogramma te dragen. Dit geldt temeer nu verzoeker verregaande gevolgen van de bestreden beslissing ervaart waaronder het feit dat verzoeker thans geen reiniger
meer is.

Bij het nemen van een degradatiebeslissing dient de directeur volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie niet alleen het gedrag dat leidt tot de bestreden beslissing te noemen, maar ook het structurele (waaronder het positieve) gedrag en dient hij een belangenafweging te maken die voor verzoeker en voor de (voorzitter van de) beroeps-en de beklagcommissie kenbaar is. Uit de inlichtingen van de directeur, waaronder de bestreden beslissing, komt naar voren dat de degradatiebeslissing is genomen naar aanleiding van het “rode” gedrag van verzoeker. Hierbij is benoemd dat verzoeker recentelijk betrokken is geweest bij een geweldsincident op zijn afdeling waarbij een medegedetineerde door verzoeker en andere medegedetineerden is geslagen.

De voorzitter overweegt dat sprake is van incidenteel “rood” gedrag nu er een vechtpartij heeft plaatsgevonden waarbij verzoeker betrokken is geweest. In de bestreden beslissing komt naar voren dat verzoeker “groen” gedrag vertoonde voordat voornoemde vechtpartij heeft plaatsgevonden. Nu een enkel strafwaardig feit in beginsel geen zelfstandige grond kan zijn voor degradatie, voldoet de belangenafweging van de directeur gelet op het voorgaande – naar het voorlopig oordeel van de voorzitter – niet aan de daaraan gestelde vereisten en kan deze
daarom de bestreden beslissing niet dragen. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

 

2. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende klaagschrift zal hebben beslist.

Aldus gedaan door mr. J.D. den Hartog, voorzitter, in tegenwoordigheid van bc. L. Vis-van Alff, secretaris, op 27 februari 2020

 


secretaris voorzitter

 

 

 

Naar boven