Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 06/3155/GB, 24 april 2007, beroep
Uitspraakdatum:24-04-2007

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 06/3155/GB

Betreft: [klager] datum: 24 april 2007

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. H.W. Knottenbelt, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 30 november 2006 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing, de (tussen)beslissing van de beroepscommissie van 27 februari 2007 en nadere schriftelijke inlichtingen van de selectiefunctionaris van 8 maart 2007 en de reactie namens klager op die
nadere inlichtingen van 19 maart 2007.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft het bezwaarschrift van klager gericht tegen de beslissing hem te plaatsen in de gevangenis Veenhuizen ongegrond verklaard.

2. De feiten
2.1. Klager is sedert 6 april 2006 gedetineerd. Hij verbleef in het huis van bewaring Zwaag. Op 10 oktober 2006 is hij geplaatst in de gevangenis Veenhuizen, waar een regime van algehele gemeenschap geldt. Vanuit deze inrichting is hij
geherselecteerd voor de gevangenis van de Therapieafdeling van het penitentiair selectiecentrum te ’s-Gravenhage (PSC), waar een regime van algehele gemeenschap geldt. Deze overplaatsing is op 5 maart 2007 gerealiseerd.

2.2. Klager ondergaat een gevangenisstraf van vijf jaar en drie maanden met aftrek. De tenuitvoerlegging van deze straf is aangevangen op 6 april 2006. De wettelijk vroegst mogelijke v.i.-datum valt op of omstreeks 30 mei 2008.

3. De standpunten
3.1. Door en namens klager is het beroep toegelicht als weergegeven in de (tussen)beslissing van de beroepscommissie van 27 februari 2007. Voorts is, naar aanleiding van de nadere inlichtingen van de selectiefunctionaris nog het volgende – zakelijk
weergegeven – aangevoerd.
Klager kan zich vinden in zijn plaatsing in het PSC. Ook kan hij instemmen met het gegeven dat hij niet langer wordt beschouwd als gedetineerde die weigert zijn medewerking te verlenen aan het project Terugdringen Recidive (TR). Hij blijft erbij dat
hij
nooit TR-weigeraar is geweest. Doordat hij ten onrechte als TR-weigeraar is aangemerkt, is zijn plaatsing in december 2006 in een beperkt beveiligde inrichting (b.b.i.) ten onrechte niet doorgegaan. Ook is hij daarom per 12 januari 2007 niet in
aanmerking gekomen voor plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting (z.b.b.i.). Hierdoor heeft hij negen weekeindverloven moeten missen terwijl hij in een z.b.b.i wekelijks € 104,00 zou hebben verdiend met de arbeid. Nu heeft hij slechts €
12,80
per week verdiend. Klager verzoekt daarom de beroepscommissie hem een tegemoetkoming toe te kennen ten bedrage van € 729,60, zijnde het verschil aan inkomen over acht weken.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de bestreden beslissing toegelicht als weergegeven in de hiervoor vermelde tussenbeslissing van de beroepscommissie van 27 februari 2007. Op 7 maart 2007 heeft de selectiefunctionaris nog het volgende naar voren
gebracht. Klager is geselecteerd voor en geplaatst in het PSC. Reden daarvoor is dat klager heeft aangegeven in die inrichting geplaatst te willen worden teneinde meer zicht te krijgen in zijn problematiek en de daarvoor aangewezen
behandelmogelijkheden. Omdat in het omtrent klager opgemaakte reïntegratieplan is aangegeven dat klager dient te werken aan zijn zelfinzicht, wordt een plaatsing in het PSC passend gevonden. Klager wordt dan ook niet langer beschouwd als TR-weigeraar
en
zal daarom in aanmerking kunnen komen voor verdere detentiefasering en verlofmogelijkheden.

4. De beoordeling
4.1. Nu klager – met zijn instemming – inmiddels is overgeplaatst naar het PSC, is zijn belang bij een beoordeling van het beroep tegen zijn plaatsing in de gevangenis Veenhuizen komen te vervallen. In beginsel zou dit aanleiding kunnen zijn klager
niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. Nu in beroep evenwel uitdrukkelijk is verzocht om aan klager een tegemoetkoming toe te kennen terzake van gemist arbeidsloon en verloffaciliteiten, zal de beroepscommissie het beroep in dit geval gegrond
verklaren zonder daar verdere gevolgen voor de bestreden beslissing aan te verbinden.

4.2. Ten aanzien van de verzochte tegemoetkoming geldt het volgende. Uit de rapportage van de reclassering van het arrondissement Alkmaar van 17 augustus 2006 komt (onder meer) naar voren dat klager toen heeft aangegeven geen verdere behandeling
nodig te hebben. Doel van die rapportage was het voorbereiden van een TR-traject voor klager. Uit die opstelling van klager tegenover de rapporteurs moet het aanmerken van hem als TR-weigeraar niet onredelijk worden geacht. Gelet daarop moet worden
geoordeeld dat de beslissing van de selectiefunctionaris om hem te plaatsen in de gevangenis Veenhuizen is genomen op een grond die deze beslissing kan dragen. Blijkens het bezwaarschrift heeft klager (op zijn vroegst) op 15 oktober 2006 aan de
selectiefunctionaris kenbaar gemaakt geen TR-weigeraar te zijn. Dat standpunt heeft hij in beroep gehandhaafd, terwijl de beroepscommissie in haar tussenbeslissing reeds heeft opgemerkt dat uit de rapportage van de reclassering niet zonder meer blijkt
dat klager TR-weigeraar zou zijn.
De selectiefunctionaris heeft klager op 5 maart 2007 overgeplaatst naar het PSC. Die overplaatsing had evenwel – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – al op of omstreeks 10 oktober 2006 kunnen geschieden.

4.3. De op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris moet daarom – bij afweging van alle in aanmerking komende belangen – onredelijk en onbillijk worden geacht. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.
De beroepscommissie is van oordeel dat er in dit geval termen aanwezig zijn voor het toekennen van een financiële tegemoetkoming. Bij de bepaling van de hoogte van die tegemoetkoming, wordt rekening gehouden met het volgende. Nu niet op voorhand kan
worden gezegd dat klager, indien hij op of omstreeks 10 oktober 2006 zou zijn geplaatst in het PSC, op 12 januari 2007 in aanmerking zou zijn gekomen voor plaatsing in een z.b.b.i., kan het eventuele verschil in ontvangen arbeidsloon niet gelden als
maatstaf voor een toe te kennen financiële tegemoetkoming. De beroepscommissie zal daarom een tegemoetkoming toekennen voor het niet (tijdig) plaatsen van klager in de voor hem meest geschikte inrichting, te weten het PSC. Zij acht in dit geval een
tegemoetkoming van € 150,= aangewezen.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond.
Zij kent aan klager een tegemoetkoming toe van € 150,=.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.P. Balkema, voorzitter, dr. G.J. Fleers en mr. J.R. Meijeringh, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 24 april 2007

secretaris voorzitter

Naar boven